96/12050 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: A, wonende te B, appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sliedrecht, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft hoger beroep doen instellen tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht op 29 november 1996 onder nr. AWB 96/677 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, waarop namens appellant is gereageerd. Het geding is behandeld ter zitting van 8 april 1999. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr F.E.R.M. Lathouwers, werkzaam bij de Algemene Onderwijsbond. GedaagZde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr F.W.C. van Geel, werkzaam bij Moret, Ernst & Young en J.W. Alsma en W. Hokken, beiden werkZzaam bij de gemeente Sliedrecht. II. MOTIVERING Appellant, geboren in 1940, was sinds 1968 diZrecteur van de dr X-school te Y totdat die school met de K-school werd samengevoegd. Appellant ambieerde het directeurschap van de nieuwe school, maar is daarvoor niet in aanZmerking gebracht. Hij is per 1 augustus 1992 met behoud van zijn financiële rechtspositie als groepsleerkracht naar de D-school te Y overgeplaatst en vervolgens na ziekmelding op 18 januari 1993 uitgevallen. Naar aanleiding van overleg met de bedrijfsarts en de directies van de D-school en De E-school (mede over een mogelijke plaatsing aldaar) heeft gedaagde op 18 april 1995 meegedeeld voornemens te zijn appellant te ontslaan. Na uitgebreid overleg over een minnelijke regeling is dit voornemen, wegens onverenigbaarheid van karakters, op grond van redenen van gewichtige aard als beZdoeld in artikel II-D3, tweede lid, aanhef en onder f, van het Rechtspositiebesluit onderZwijspersoneel (Rpbo) met ingang van 1 juni 1996 uitgevoerd. Appellants bezwaar daartegen heeft gedaagde na nadere gesprekken met de voormalige wethouder en de directie van de D-school in april en mei 1996 bij het thans bestreden besluit van 27 juni 1996 ongegrond verklaard, onder gelijktijZdige toekenning van een eenmalige financiële tegemoetkoming, naast (de garantie van) wachtZgeld, van f 120.000,- bruto. Met wachtgeld werd gedoeld op een uitkering op grond van het Besluit WerkZloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOZO), welke uitkering aan appellant inmiddels ook is toegekend. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep dat appellant tegen het bestreden besluit heeft ingesteld ongegrond verklaard en is gedaagde veroordeeld in de door appellant gemaakte kosten terzake van rechtsbijstand. Appellants verzoek om vergoeding van immateriële schade van f 30.000,- heeft de rechtbank afgewezen omdat dit verzoek eerst bij de behandeling ter zitting van de rechtbank naar voren was gebracht. Ook ter zitting van de Raad is gebleken dat naar het oordeel van beide partijen sprake is van zodanig verstoorde verhoudingen dat terugkeer van appellant niet mogelijk is, zodat aan gedaagde de bevoegdheid toekwam om appelZlant op grond van artikel II-D3, tweede lid, aanhef en onder f, van het Rpbo te ontslaan. Daaraan doet, nu het ontslag is verleend met ingang van 1 juni 1996, niet af dat van verstoorde verhoudingen in de beleving van apZpellant eerst sedert de gesprekken van april en mei 1996 sprake was. Gelet hierop beperkt het geschil zich tot de vraag of gedaagde in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken door aan het ontslag geen hogere vergoeding dan f 120.000,- boven de BWOO-uitkering te verbinden. Appellant maakt aanspraak op vergoeding van het volledige inkomens- en pensioennadeel (ruim f 200.000,- bruto) dat hij stelt te lijden door de teruggang van zijn bezoldiging naar een BWOO-uitkering, alsmede op vergoeding van f 30.000,- wegens het verlies van zijn goede naam en de onmogelijkheid om na zijn lange diensZtverband op waardige wijze afscheid te nemen. De Raad leidt uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting af dat gedaagde heeft beoogd appellant (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.