97/6183 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente C, appellant, en mr A, wonende te B, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Zwolle op 17 juni 1997 onder nr. AWB 96/4697 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Namens appellant is een nadere memorie aan de Raad gezonden. Voorts is desgevraagd nog een aanvullend bericht (met bijlagen) aan de Raad toegezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 14 oktober 1999, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door F.J. Kragten, verbonden aan Kragten & Partner Beilen BV, en waar gedaagde is verschenen bij haar gemachtigde mr I.M.A. Bruls-van Strien, advocaat te Maarssen. II. MOTIVERING Voor een uitgebreide weergave van de voor dit geding relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. Bij schrijven van 25 september 1995 heeft appellant aan gedaagde, destijds werkzaam bij het bureau VROM van de gemeente IJsselham, medegedeeld dat hij - in verband met de invoering met terugwerkende kracht tot 1 januari 1994 van een zogenaamd drierangenstelsel en het in verband daarmee opnieuw waarderen van de functies - besloten had de waardering van haar functie vast te stellen overeenkomstig de bij dat schrijven gevoegde bijlage. Tevens bevatte dat schrijven de passage: "Bij uw benoeming per 15 juli 1994 zijn afspraken gemaakt met betrekking tot een loopbaanbegeleiding, gebaseerd op een geïndiceerd funktioneel niveau VIII. Deze afspraken blijven onverbindend (lees: onverminderd) van kracht. Het nieuwe vastgestelde funktieniveau zal u worden toegekend op het moment dat er sprake is van een normale en volledige funktievervulling. De toetsing hiervan zal de komende periode plaatsvinden." Gedaagde heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Daarin heeft zij gesteld dat haar bezwaar niet is gericht tegen de functiewaardering, maar tegen het besluit haar niet (met terugwerkende kracht) in te schalen in een hogere (aanloop)schaal, corresponderend met de uit de nieuwe functiewaardering voortvloeiende hogere functieschaal. Bij beslissing op bezwaar van 14 mei 1996 heeft appellant het bezwaar van gedaagde ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant opdracht gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en bepalingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Appellant kan zich niet met die uitspraak verenigen. Hij heeft in het bijzonder doen stellen dat het schrijven van 25 september 1995, behoudens het besluit tot vaststelling van de waardering van gedaagdes functie, geen besluit bevat. Daarom is het bezwaar van gedaagde naar appellants oordeel terecht ongegrond verklaard. In het door gedaagde bestreden besluit is dit als volgt gemotiveerd: "Met de commissie zijn wij ook van oordeel, dat uw gronden van bezwaar geen (enkele) relatie hebben met de publiekrechtelijke rechtshandeling in de beschikking van 25 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.