97/11542 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, appellant, en A, wonende te B, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Roermond op 29 oktober 1997 onder nr. 97/838 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 21 oktober 1999, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr M.T.J.H. Berns, verbonden aan het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr P.J. van Sambeek, verbonden aan L.A.R. Rechtsbijstand N.V. II. MOTIVERING Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten. Gedaagde, destijds als zweminstructeur werkzaam in het gemeentelijk zwembad X in Y, is op 10 augustus 1995 gevallen, als gevolg waarvan hij langer dan 18 maanden wegens ziekte verhinderd is geweest zijn betrekking te vervullen. De val heeft zich voorgedaan toen gedaagde, die het voorgeschreven schoeisel droeg, na de pauze van de kantine door de garderobe naar de zwemhal liep en in de garderobe is uitgegleden. Appellant heeft bij primair besluit van 7 januari 1997 met ingang van 10 februari 1997 een korting van 20% toegepast op gedaagdes bezoldiging, omdat gedaagde langer dan 18 maanden verhinderd was zijn betrekking te vervullen. Bij het thans in geding zijnde besluit van 1 april 1997 heeft appellant het kortingsbesluit gehandhaafd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen dit laatste besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Naar aanleiding van het door appellant tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep overweegt de Raad als volgt. Bij het gehandhaafde kortingsbesluit heeft appellant toepassing gegeven aan artikel 7:1, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling Arbeidsvoorwaarden gemeente Roermond (hierna: RAgR). Daarin is, voorzover hier van belang, bepaald, dat de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen, gedurende 18 maanden de volle bezoldiging geniet en vervolgens tot het einde van het dienstverband 80% van de bezoldiging. Appellant heeft geen toepassing gegeven aan het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a, van artikel 7:1 van de RAgR, luidend: "De ambtenaar geniet ook na afloop van de in het eerste lid, onderdeel a genoemde periode van 18 maanden tot aan het einde van zijn dienstverband de volle bezoldiging: indien de ziekte haar oorzaak vindt in een ongeval in of door de dienst en dit ongeval niet aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten." Appellant heeft zijn besluit om geen toepassing te geven aan deze laatste bepaling gemotiveerd met verwijzing naar rechtspraak van de Raad. Gesteld is: "Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is van oorzakelijk verband tussen de ziekte c.q. het ongeval en de dienstuitoefening sprake indien het ongeval is ontstaan bij de uitoefening van een (wezenlijk) bestanddeel van de functie." Appellant heeft hier het oog op onder meer de uitspraken van de Raad van 13 april 1990, TAR 1990, 133 en van 30 november 1989, TAR 1990,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.