97/9619 AAW 97/9622 AAW 97/9623 AAW 99/1586 AAW 99/1587 AAW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant, en A, wonende te B, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfs-vereniging. A. De gedingen inzake de uitbetaling van de uitkering Bij besluit van 17 oktober 1995 heeft appellant de eerder aan gedaagde toegekende uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschikheidswet (AAW), welke laatstelijk werd berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 augustus 1993 onder toepassing van artikel 33 van de AAW op nihil gesteld. Bij besluit van 12 februari 1996 heeft appellant vervolgens de uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschikheidswet (AAW) over de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1994 onder toepassing van artikel 33 van de AAW op nihil gesteld. Daarna heeft appellant bij besluit van 23 december 1996 de uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschikt-heidswet (AAW) over de periode van 1 januari 1995 tot en met 14 mei 1995 onder toepassing van artikel 33 van de AAW op nihil gesteld. De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van 27 augustus 1997 de namens gedaagde tegen boven-genoemde besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard en die besluiten vernietigd. Appellant heeft tegen bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld. Namens gedaagde is door J. ter Welle, werkzaam bij Olm accountants en belastingadviseurs te Zwolle, een verweerschrift ingediend. B. De gedingen inzake de terugvordering Bij besluit van 22 maart 1996 heeft appellant een bedrag van f 1.416,20, dat over de periode van 1 november 1993 tot 1 januari 1994 naar de opvatting van appellant onver-schuldigd krachtens de AAW was betaald, van gedaagde teruggevorderd. Bij besluit van 14 juni 1996 heeft appellant vervolgens een bedrag van f 9.882,77, dat over de periode van 1 maart 1994 tot 1 januari 1995 naar de opvatting van appellant onverschuldigd krachtens de AAW was betaald, van gedaagde teruggevorderd. De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van 19 februari 1999 de namens gedaagde tegen boven-genoemde besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard en die besluiten vernietigd. Appellant heeft tegen bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld. Namens gedaagde is door J. ter Welle, voornoemd, een verweerschrift ingediend, waarop door appellant bij brief van 7 juli 1999 is gereageerd. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 november 1999, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr H. de Jong, werkzaam bij GUO Uitvoeringsinstelling B.V., en waar gedaagde - zoals aangekondigd bij brief van 9 november 1999 - niet is verschenen. II. MOTIVERING A. De gedingen inzake de uitbetaling van de uitkering Voor de voor deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar rubriek 3 van de betreffende aangevallen uitspraak. De Raad gaat uit van de juistheid van de daar genoemde feiten en omstandig-heden. De rechtbank heeft de aan de orde zijnde vragen of appellant terecht in de hierboven in rubriek I genoemde besluiten toepassing heeft gegeven aan artikel 33 van de AAW ontkennend beantwoord. Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen: "Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot het oordeel, dat er voor het aannemen van "inkomsten uit arbeid" ex artikel 33 AAW sprake dient te zijn van arbeid in enige omvang en van enige betekenis alsmede van enige relatie tussen arbeid en verworven inkomsten, zoals ook bij een schatting ex artikel 5 AAW minimaal is vereist. Nu aangenomen moet worden dat eiser - over de in geding zijnde perioden - niet in staat was en is arbeid in enige omvang en van enige betekenis te verrichten en er derhalve geen verband kan worden gelegd tussen zijn inkomsten en door hem verrichte arbeid, kan naar het oordeel van de rechtbank in zijn geval gelet op het vorenstaande over die perioden niet gesproken worden van "inkomsten uit arbeid" als bedoeld in artikel 33 AAW." Appellant heeft tegen het oordeel van de rechtbank in het beroepschrift de volgende grieven aangevoerd: "Appellant stelt vast dat gedaagde zich naar buiten toe is blijven presenteren als ondernemer. Van beëindiging van de bedrijfsexploitatie door gedaagde en overdracht aan een derde is geen sprake (zie RSV 1995/128). Door gedaagde is weliswaar gesteld dat zijn werk-zaamheden binnen de onderneming beperkt waren en zich beperken tot geestelijke arbeid (in de vorm van overleg met zijn broer), niet is gesteld dat gedaagde geen enkele beheers- en beleidsbeslissing (zie de uitspraak van uw Raad in de zaak 95/7966 AAW) in zijn onderneming meer nam en dat zijn broer gemachtigd was om alle beslissingen te nemen. Appellant is van mening dat de inkomsten van gedaagde uit verhuur van zijn melkquotum en uit de verkoop van gewassen, ook al waren de activiteiten ten behoeve daarvan van beperkte omvang, gezien dienen te worden als deel uitmakend van zijn ondernemerschap en bedrijfsvoering en dienen derhalve aangemerkt te worden als inkomsten uit arbeid (RSV 1995/128). Bij zelfstandigen wordt van die verdiensten op jaarbasis uitgegaan. Perioden van niet werken, bijvoorbeeld als gevolg van vakantie of zieken-huisopname, behoren geen invloed op de toepassing van artikel 33 AAW te hebben. Pas wanneer het totale jaarinkomen te laag wordt voor anti-cumulatie wordt de toepassing van artikel 33 AAW onderbroken. In casu dient de hoogte van die inkomsten over de perioden 1 augustus 1993 tot en met 31 december 1993, heel 1994 en 1 januari 1995 tot en met 14 mei 1995 invloed te hebben op de AAW-uitkering. Daarbij is niet van belang of gedaagde gedurende bepaalde perioden buiten staat is geweest daadwerkelijk arbeid te verrichten. In dat kader is appellant van mening dat het feit dat de uitkering van gedaagde onder toepassing van artikel 13 AAW is verhoogd op zich geen reden is om de toepassing van artikel 33 AAW per 15 mei 1997 (lees: 1995) te beëindigen. Deze omissie staat echter niet aan toepassing van artikel 33 AAW over de periode 1 augustus 1993 tot en met 14 mei 1995 in de weg." In zijn brief van 7 juli 1999 heeft appellant in dit verband nog gesteld dat de Raad inmiddels de wijze waarop artikel 33 in het onderhavige geval is toegepast, heeft geaccordeerd; daartoe is gewezen op een uitspraak van de Raad die is gepubliceerd in RSV 1999/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.