98/1424 WVG U I T S P R A A K in het geding tussen: A, appellant, wettelijk vertegenwoordigd door B, beiden wonende te C, en het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Tiel, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 3 februari 1997 heeft gedaagde gedeeltelijk afwijzend beschikt op de namens appellant door zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende aanvraag, ertoe strekkende om hem ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de op die wet gebaseerde Verordening Voorzieningen Gehandicapten van de gemeente Tiel (nader te noemen de Verordening) in aanmerking te brengen voor een vergoeding van de kosten van een te zijnen behoeve beoogde woningaanpassingen. Gedaagde heeft het namens appellant ingediende bezwaar tegen dat besluit bij het bestreden besluit van 2 juni 1997 ongegrond verklaard. De Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 8 januari 1998 (de aangevallen uitspraak) het tegen het bestreden besluit aangetekende beroep ongegrond verklaard. Van die uitspraak is mr S. Kolstee, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, namens appellant, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen. Hij heeft daarbij gevorderd om de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te vernietigen en verzocht om gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de schade die appellant lijdt dan wel zal gaan lijden ten gevolge van de onrechtmatigheid van het bestreden besluit. Op 6 augustus 1998 is zijdens gedaagde een verweerschrift ingediend. Onder dagtekening 24 en 26 februari 1999 zijn van de kant van appellant nadere stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 maart 1999, waar namens appellant zijn verschenen A.G.M. van IJzendoorn en mr S.Kolstee, beiden voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door G.A.A. van Buuren, werkzaam bij de gemeente Tiel. II. MOTIVERING Appellant, geboren in 1993, is een meervoudig gehandicapt kind. Hij is mentaal geretardeerd, autistisch en heeft (in verband met die handicaps) een ongecontroleerde motoriek. In zijn hoedanigheid van appellants wettelijk vertegenwoordiger heeft diens vader voor hem in het kader van de WVG en de Verordening een aantal voorzieningen op het gebied van vervoer en wonen aangevraagd. De gevraagde vervoersvoorzieningen zijn aan hem toegekend. Met het oog op de beheersing van appellants vaak ongecontroleerde gedrag en ter bevordering van zijn veiligheid is voorts verzocht om een tegemoetkoming in de kosten van vervanging van de schuifpui aan de achterzijde van de woonkamer, aanpassing van de trap en nieuwe deursluitingen op de bovenverdieping. De adviserend arts van het Indicatieinstituut van de GGD Rivierenland, C. van 't Spijker, heeft blijkens zijn rapport van 10 januari 1997 het ontbreken van veiligheidsbesef en situationeel (probleem)gedrag bij appellant geconstateerd. In verband daarmee heeft hij geadviseerd tot toekenning van de gevraagde deursluitingen en trapaanpassing. Wat betreft de achterpui was hij van mening dat de toenmalige conditie van appellant een medische indicatie vormde voor vervanging van de bestaande glazen pui door een gemetselde of houten pui, maar heeft hij voorgesteld om een paar maanden af te wachten of door een betere instelling van appellants medicatie die aanpassing overbodig zou blijken. Op basis van genoemd GGD-advies en van een ambtelijk rapport heeft gedaagde bij het besluit in primo van 3 februari 1997 positief beslist omtrent de trapaanpassing, doch geweigerd om de extra sloten en de vervanging van de schuifpui te vergoeden, daar deze volgens gedaagde niet beschouwd kunnen worden als voorzieningen die ergonomische beperkingen wegnemen of verminderen. Gedaagde was voorts van mening dat die voorzieningen de veiligheid in de woning betreffen, wat niet als verantwoordelijkheid van de gemeentelijke overheid in het kader van de WVG zou zijn aan te merken. Naar aanleiding van het namens appellant ingediende bezwaar, waarbij onder meer is aangegeven dat de medicatie van appellant volledig is ingesteld en geen verbetering van zijn toestand is te verwachten, is voornoemde arts van de GGD opnieuw om advies gevraagd. Deze heeft op 2 mei 1997 zijn visie herhaald dat de gevraagde deursloten een noodzakelijke veiligheidsvoorziening vormen en dat, ervan uitgaande dat in de in januari 1997 geconstateerde situatie geen verbetering is gekomen, uit veiligheidsoverwegingen de schuifpui dient te worden vervangen. Gedaagde is vervolgens bij het bestreden besluit gebleven bij het in het besluit in primo ingenomen standpunt. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich verenigd met de door gedaagde gehanteerde weigeringsgrond. Zij heeft daartoe overwogen dat weliswaar tussen partijen niet in geschil is dat de in geding zijnde aanpassingen aan de woning noodzakelijk zijn omdat zonder die voorzieningen voor appellant gevaar voor het oplopen van lichamelijk letsel ontstaat, maar dat uit het advies van de GGD-arts niet is op te maken dat het gedrag van appellant zou moeten worden aangemerkt als een beperking van zijn fysieke mogelijkheden met betrekking tot de bereikbaarheid, toegankelijkheid of gebruik van de woning. De rechtbank is daarom - met gedaagde - van oordeel dat de onderwerpelijke voorzieningen niet gericht zijn op het opheffen van een ergonomische beperking met betrekking tot het normale elementaire gebruik van (gedeelten van) de woning. Zijdens appellant is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betoogd dat de woning zonder de gevraagde voorzieningen niet bruikbaar is wegens de als gevolg van appellants psychische handicaps aanwezige fysieke beperkingen, welke een onveilige situatie met zich meebrengen en dat de gevraagde voorzieningen leiden tot opheffing van beperkingen op het gebied van het elementaire gebruik van de woning. Ook is zijnerzijds een en andermaal gewezen op de inconsistente opstelling van gedaagde, nu de trapaanpassing, welke evenzeer gericht was op de veiligheid in de woning, wel is vergoed. Namens appellant is voorts nog een beroep gedaan op enkele rechterlijke uitspraken en op de "Verklaring over de rechten van autistische personen" welke op 9 mei 1996 door het Europese parlement is aangenomen. De Raad overweegt als volgt. De in artikel 1, eerste lid, aanhef, en onder c, van de WVG ten aanzien van ingrepen van bouwkundige of woontechnische aard (woningaanpassingen), bij wijze van inperking van de algemene definitie van woonvoorzieningen, neergelegde voorwaarde dat een dergelijke ingreep dient te zijn gericht op het opheffen of verminderen van ergonomische beperkingen, is in die wet niet nader uitgewerkt. Uit de geschiedenis van totstandkoming van de WVG komt evenwel duidelijk naar voren dat de wetgever niet beoogd heeft om het terrein van de uit (opeenvolgende versies van) de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten (RGSHG) naar de WVG overgehevelde woonvoorzieningen te verruimen, hetgeen wat betreft woningaanpassingen nog is onderstreept door het in de WVG opnemen van het uit de RGSHG stammende criterium ergonomische beperkingen. De Raad leidt daaruit af dat de wetgever aldus heeft willen vastleggen dat de reikwijdte van woningaanpassingen onder de WVG dezelfde is gebleven als onder de daaraan onmiddellijk voorafgaande RGSHG
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.