97/11506 AWBZ U I T S P R A A K in het geding tussen: A te B, appellante, en Stichting Ziekenfonds VGZ, gevestigd te Eindhoven, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Vanwege gedaagde is met ingang van 1 juli 1997 aan appellante een eigen bijdrage opgelegd wegens haar verblijf in verzorgingshuis de Sonnevanck te Oss. Het daartegen namens appellante gemaakt bezwaar is door gedaagde bij besluit van 4 augustus 1997 ongegrond verklaard. De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft het tegen dat besluit ingesteld beroep bij uitspraak van 8 oktober 1997 verworpen. Tegen die uitspraak is vanwege appellante door mr E.E.M. van Schaik-Bohm, advocaat te Veghel, hoger beroep ingesteld op de daartoe bij aanvullend beroepsschrift (met in bijlage een mededeling uit 1998 van de Pensioen- en Uitkeringsraad met betrekking tot de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de WUV), aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5 maart 1998, waar voor appellante is opgetreden mr Van Schaik-Bohm, voornoemd. Gedaagde heeft zich daar doen vertegenwoordigen door mr M.A. Booy Liewes, werkzaam bij gedaagde. II. MOTIVERING. Met betrekking tot de voor dit geding van belang zijnde feiten en regelgeving verwijst de Raad, gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Partijen verschillen van mening of gedaagde bij het voor de vaststelling van voormelde eigen bijdrage in beschouwing te nemen bijdrageplichtig inkomen terecht, dat wil zeggen zonder schending van enige in casu van toepassing zijnde rechtsregel, heeft geweigerd de door appellante ingevolge artikel 10 van de WUV genoten uitkering buiten aanmerking te laten voor wat betreft de daarin krachtens het derde lid van die bepaling opgenomen toeslag in verband met zogenoemde niet meetbare invaliditeitskosten. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord, daarbij onder meer verwijzend naar de in de aangevallen uitspraak weergegeven onderdelen van artikel 15, eerste lid, van de Overgangswet verzorgingstehuizen en artikel 6 Bijdragebesluit Zorg (hierna: het Besluit). Naar uit de aangevallen uitspraak blijkt heeft die rechter daartoe op grond van de uit het dossier blijkende gegevens aange-nomen dat appelante ten tijde hier in geding, voorzover voor de beoordeling van voormeld geschilpunt van belang, ingevolge de WUV een uitkering genoot krachtens artikel 10 (juncto artikel 7) en niet (tevens) krachtens artikel 14 van die wet. Uitgaande van dat -tussen partijen niet betwiste- feit heeft de rechtbank op grond van voormelde bepalingen van het Besluit het inleidend beroep verworpen. De Raad kan zich in de zienswijze van de rechtbank vinden en onderschrijft het daarmee strokend betoog ter zitting zijdens gedaagde. Aan het vorengaande voegt de Raad het volgende toe. Met name gelet op de artikelen 4 en 6 tot en met 9 juncto artikel 1 en 2 van het Besluit, bezien in samenhang met de toelichting daarop, is bij het Besluit een strak omlijnde en uitputtende regeling gegeven, niet alleen met betrekking tot wat tot het bijdrageplichtig inkomen in de zin van (artikel 1, eerste lid, onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.