97/3984 ABW U I T S P R A A K in het geding tussen: A te B, appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is mr A. Balkema, advocaat te Utrecht, op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de president van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht onder dagtekening 13 maart 1997 met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij brief van 4 juni 1997 heeft mr Balkema, voornoemd, nog een nader stuk toegezonden. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft gedaagde nog nadere stukken toegezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 januari 1999, waar voor appellant is verschenen mr Balkema, voornoemd, terwijl gedaagde -daartoe ambtshalve opgeroepen- zich heeft doen vertegenwoordigen door mr C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht. II. MOTIVERING Op 20 september 1996 heeft appellant een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Hij heeft bij die gelegenheid aangegeven dat hij met zijn echtgenote inwoont bij zijn moeder. Bij besluit van 10 december 1996 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 20 september 1996 een bijstandsuitkering toegekend zulks naar de norm voor gehuwden van 21 jaar en ouder en, voorzover hier van belang, onder toepassing van een verlaging van 20%. Gedaagde heeft hierbij overwogen dat er een korting van f 390,72 plaatsvindt omdat appellant zijn noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen met een ander. Namens appellant heeft mr Balkema, meergenoemd, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Aangevoerd is dat de huur van de woning ongeveer f 650,-- bedraagt waarvan appellant de helft betaalt; hij verzoekt dan ook om een toeslag op de verleende uitkering. Bij besluit van 20 februari 1997 heeft gedaagde deze bezwaren ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daartoe, voorzover hier van belang, het volgende overwogen: "Zoals hierboven reeds gememoreerd, is de aanvraag voor een periodieke bijstandsuitkering van uw cliënt met ingang van 20 september 1996 toegewezen, echter onder aftrek van f. 390,72 per maand, omdat uw cliënt de noodzakelijke kosten van het bestaan met een ander kan delen. Deze verlaging is gebaseerd op artikel 34 van de Algemene bijstandswet (nAbw). Dit artikel geeft ons de bevoegdheid de bijstandsnorm te verlagen voor zover belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft tengevolge van het kunnen delen van deze kosten met een ander. Vast staat, dat uw cliënt zijn algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen met een ander, te weten zijn moeder. Met haar deelt hij de kosten van de huur en die van gas, licht en water en dergelijke, zoals u overigens zelf in uw verzoekschrift voor een voorlopige voorziening hebt aangegeven. Wij zijn dan ook van oordeel dat de bijstandsuitkering van uw cliënt op grond van artikel 34 van de nAbw dient te worden verlaagd. Voor het bedrag van de verlaging hebben wij aansluiting gezocht bij hetgeen in de "Verordening toeslagen en verlagingen Algemene bijstandswet" is bepaald met betrekking tot in onze ogen vergelijkbare gevallen: - alleenstaanden van 21 jaar en ouder, die als onderhuurder of kostganger inwonen bij hun ouders komen niet in aanmerking voor de toeslag van 20% van de gehuwdennorm (artikel 2, lid 2); - de bijstandsnorm voor gehuwden, die als verhuurder of kostgever woonkosten delen met hun ouders, wordt verlaagd met 20% van de gehuwdennorm (artikel 3, lid 1, onder a. jo. lid 2).". Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank, voorzover hier relevant, het tegen het besluit van 20 februari 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De president heeft daartoe het volgende overwogen (waarbij appellant als eiser en gedaagde als verweerder is aangeduid): "Verweerder heeft met toepassing van artikel 3, eerste lid onder a, tweede volzin van de Verordening een korting op de bijstandsuitkering van eisers toegepast van 20% en hierbij gebruik gemaakt van de in artikel 34 van de Abw gegeven bevoegdheid de bijstandsnorm voor een echtpaar te verlagen. Het in de Verordening neergelegde verlagingsbeleid van verweerder ten aanzien van gehuwden kan niet in strijd met artikel 34 van de Abw worden geacht. Hoewel evengenoemd artikellid niet helemaal duidelijk is geredigeerd kan uit de toelichting en het geheel van de Verordening worden afgeleid dat de verlaging van de bijstandsnorm van 20% niet louter geldt voor gehuwden die in de hoedanigheid van verhuurder of kostgever woonkosten delen. Blijkens 3.5 van de toelichting in de Verordening vinden de verlagingen op grond van artikel 34 van de Abw plaats in het geval dat gehuwden niet alleen in een woning wonen. Hierbij wordt derhalve geen onderscheid gemaakt tussen verhuurder/huurder respectievelijk kostgever/kostganger. Bepalend is of er kosten kunnen worden gedeeld. Voorts is in 3.6 van de toelichting van de Verordening onder nummer 4 van het kopje Gehuwden vermeld dat wanneer gehuwden zelf onderhuurder of kostganger zijn, en aangetoond kan worden dat zij een commerciële relatie met de hoofdhuurder of kostgever hebben, de basisnorm niet wordt verlaagd. Hieruit is af te leiden dat de basisnorm wel wordt verlaagd als de onderhuurder of kostganger geen commerciële relatie heeft. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat verweerder een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 3, eerste lid onder a, tweede volzin van de Verordening. Het standpunt van eisers dat de verlaging van de bijstandsuitkering blijkens de Verordening uitsluitend plaatsvindt ten aanzien van gehuwden die als verhuurder of kostgever woonkosten delen kan dan ook niet worden gevolgd.". Appellant kan zich hiermee niet verenigen. Hij stelt zich, onder verwijzing naar hetgeen eerder in bezwaar en in beroep is aangevoerd, op het standpunt dat de door gedaagde ten aanzien van hem toegepaste verordening in strijd is met de ter zake geldende dwingendrechtelijke bepalingen van de Abw. De Raad overweegt het volgende. Op grond van artikel 30, aanhef en onder c, van de Abw bedraagt ten tijde hier van belang de bijstandsnorm voor gehuwden f 1.953,61 per maand. Ingevolge artikel 34 van de Abw kunnen burgemeester en wethouders voor gehuwden de bijstandsnorm verlagen voorzover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. Artikel 38 van de Abw bepaalt dat het gemeentebestuur bij verordening vaststelt voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van de verhoging of verlaging wordt bepaald. Ter uitvoering van artikel 38 van de Abw heeft de Raad van de gemeente Utrecht op 30 november 1995 de Verordening toeslagen en verlagingen Algemene Bijstandswet (hierna: de Verordening) vastgesteld. Artikel 3 van de Verordening, voorzover hier van belang, luidt als volgt: "
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.