96/11023 AAWAO U I T S P R A A K in het geding tussen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen Groothandel en vrije beroepen. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 21 december 1992 heeft appellant de aan gedaagde krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkeringen, die werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 februari 1993 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van gedaagde per die datum moet worden gesteld op 45 tot 55%. De Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft (voor zover hier van belang) het tegen dat besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 29 oktober 1996 gegrond verklaard, voormeld besluit vernietigd en (thans) appellant veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van (thans) gedaagde tot een bedrag van f 6.270,--. Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Desgevraagd heeft gedaagde nadere informatie verstrekt. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 november 1999, waar partijen (appellant na voorafgaand schriftelijk bericht) niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Het hoger beroep richt zich blijkens het aanvullend beroepschrift uitsluitend tegen de proceskostenveroordeling in de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat appellant de -volledige- declaraties ter hoogte van f 4.850,--, van de in eerste aanleg door gedaagde geraadpleegde deskundige, de neuroloog-psychiater H. Herngreen, dient te vergoeden. De Raad overweegt het volgende. Op grond van artikel I, lid 7, van de overgangs- en slotbepalingen eerste en tweede tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is artikel 8:75 van de Awb in de voorliggende zaak van toepassing. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient in het kader van een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb met betrekking tot de gemaakte kosten van de door een partij geraadpleegde deskundige, te worden uitgegaan van een (maximale) uurvergoeding van f 116,60, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onderdeel IV van het Besluit tarieven in strafzaken. Derhalve is naar het oordeel van de Raad ter vaststelling van het bedrag dat appellant aan gedaagde dient te vergoeden in verband met de door gedaagde in eerste aanleg geraadpleegde deskundige(n), van belang te weten hoeveel uur deze deskundige(n) aan zijn onderzoek heeft/hebben besteed. In het aanvullend beroepschrift van appellant is met betrekking tot de declaraties van de deskundige H. Herngreen, onder andere het volgende vermeld: "In de procedure in eerste aanleg heeft [gedaagde] drie nota's overgelegd. Twee daarvan zijn gedateerd op 30 maart 1995 en lijken betrekking te hebben op dezelfde verrichtingen, de derde is gedateerd op 13 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.