96/2745 AKW U I T S P R A A K in het geding tussen: A, wonende te B, appellant, en de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 15 maart 1995 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen zien besluit van 20 september 1994, appellants aanspraak op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) betreffende, deels gegrond en deels ongegrond verklaard. De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 1 februari 1996 het beroep tegen het besluit van 15 maart 1995 gegrond verklaard voorzover het was gericht tegen de schorsing van de kinderbijslag over het eerste tot en met het derde kwartaal van 1994, het besluit in zoverre vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Op de gronden, aangevoerd bij aanvullend beroepschrift van 24 juni 1996, heeft mr T. Scholtus, advocaat te 's-Gravenhage, gevorderd het bestreden besluit (geheel) te vernietigen en te bepalen dat appellant ingaande 1 januari 1994 aanspraak heeft op kinderbijslag. Gedaagde heeft op 15 augustus 1996 een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 november 1998. Appellant is daar verschenen bij zijn gemachtigde mr Scholtus, voornoemd. Gedaagde is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigden mr J.S. Bartstra, mr G.E. Eind en mr A.H. Gersie, allen werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank. II. MOTIVERING Het geding heeft betrekking op appellants aanspraak op kinderbijslag ingaande het eerste kwartaal van 1994 ten behoeve van zes kinderen, geboren uit een vorig huwelijk van appellants echtgenote, C, met wie hij op .......... 1987 is gehuwd. C is op ......... 1989 overleden. Nadat bij het primaire besluit van 20 september 1994 appellants aanspraak op kinderbijslag ten behoeve van genoemde kinderen ingaande het eerste kwartaal van 1994 was geschorst, welke schorsing bij het bestreden besluit is gehandhaafd, is bij besluit van 9 november 1995 de schorsing opgeheven en aan appellant alsnog kinderbijslag voor de kinderen toegekend over het eerste kwartaal van 1994. Kinderbijslag over het tweede en derde kwartaal van dat jaar is bij hetzelfde besluit geweigerd. Blijkens een telefonische mededeling van gedaagde is na bezwaar van appellant tegen laatstgenoemd besluit alsnog aan hem ook kinderbijslag toegekend over het tweede en derde kwartaal van 1994, hetgeen ter zitting door appellants gemachtigde is bevestigd. De toekenning van kinderbijslag over de genoemde drie kwartalen van 1994 berust hierop, dat gedaagde van oordeel is dat de door hem bij appellant voorheen terzake van de aanspraak op kinderbijslag gewekte verwachtingen tot en met het derde kwartaal van 1994 dienen te worden gehonoreerd. Gegeven de datum van het in dit geding primaire besluit, 20 september 1994, kan het geding geen betrekking hebben op latere aanspraken dan die over het derde kwartaal van 1994. Aangezien de aanspraken van appellant tot en met dat kwartaal zijn erkend, bestaat er in zoverre geen geschil meer tussen partijen. Aangezien echter de rechtbank de ongegrondverklaring van het beroep heeft doen steunen op de onderschrijving van gedaagdes standpunt dat de kinderen niet (meer) kunnen worden aangemerkt als eigen of aangehuwde kinderen dan wel pleegkinderen van appellant, heeft deze naar 's Raads oordeel voldoende belang bij het hoger beroep. Met betrekking tot dit geschilpunt deelt de Raad het oordeel van gedaagde en van de rechtbank dat hier niet van eigen kinderen of pleegkinderen van appellant kan worden gesproken en verwijst hij naar de gronden van het bestreden besluit en de overwegingen van de rechtbank. Voor het antwoord op de vraag of de kinderen als aangehuwde kinderen van appellant kunnen worden aangemerkt, is bepalend of van zodanige kinderen nog kan worden gesproken na de ontbinding van het huwelijk tussen appellant en C, dat immers, zoals hierboven is vermeld, is geëindigd door het overlijden van laatstgenoemde op ..... 1989. Hierbij verdient opmerking dat gedaagde sedertdien, tot 1994, kinderbijslag heeft toegekend in de veronderstelling dat het hier eigen kinderen van appellant betrof. Partijen hebben voor hun respectievelijk bevestigende en ontkennende beantwoording van de vraag of de kinderen na het einde van het huwelijk nog als aangehuwde kinderen van appellant kunnen worden aangemerkt, steun gezocht in het (Nederlandse) familierecht en belastingrecht. Daarbij is er onder meer op gewezen, dat ingevolge het Burgerlijk Wetboek (artikel 1:3, derde lid) aanverwantschap als in casu bestaande tussen appellant (de stiefouder) en de kinderen van zijn echtgenote niet door het overlijden van laatstgenoemde wordt opgeheven; dat, anderzijds, op grond van artikel 1:395 BW de onderhoudsverplichting van de stiefouder jegens de kinderen van zijn echtgenoot slechts staande huwelijk geldt; dat, niettegenstaande dit laatste, in de inkomstenbelasting de kosten van levensonderhoud van stiefkinderen ook na de ontbinding van het huwelijk als buitengewone lasten kunnen worden aangemerkt, hetgeen van betekenis zou moeten worden geacht bij een beoogde coördinatie tussen belasting- en kinderbijslagwetgeving. De Raad overweegt dat, te meer nu het in de AKW gehanteerde begrip "aangehuwd kind" in de beide hierboven genoemde rechtsgebieden niet (meer) voorkomt, de duiding van dat begrip allereerst in de AKW zelf moet worden gezocht. In dat verband acht de Raad, bij gebreke van enige toelichting in de wetsgeschiedenis, van betekenis dat in de kinderbijslagwetgeving vóór de inwerkingtreding van de AKW het begrip "aangehuwd kind" niet voorkwam maar, ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Kinderbijslagwet zoals gewijzigd bij wet van 21 augustus 1950, Stb. K369, werd gesproken van een kinderbijslagrecht voor kinderen uit een vorig huwelijk van de echtgenoot(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.