97/9823 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: drs A te B, appellante, en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de President van Arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 1 september 1997 onder de nummers AWB 97/6453 en AWB 97/6454 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 maart 1999, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr P.S. Jonker, advocaat te Amsterdam. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door P. Reyman en drs E. van Schie, beiden werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. II. MOTIVERING De Raad verwijst voor een meer uitvoerige weergave van de relevante feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met de navolgende samenvatting. Appellante is met ingang van 17 februari 1997 tot uiterlijk 1 januari 1998 in tijdelijke dienst van gedaagde aangesteld met toepassing van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder e, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR): het verrichten van werkzaamheden met een kennelijk tijdelijk karakter. De werkzaamheden bestonden in hoofdzaak uit het schrijven van een notitie over het zogenaamde doelgroepenbeleid. Op 13 maart en 1 april 1997 heeft het betrokken afdelingshoofd drs C (hierna: C) met appellante gesproken. Van die gesprekken is geen verslag opgemaakt en partijen verschillen van mening over de inhoud daarvan en over al dan niet gemaakte afspraken. Partijen zijn het er wel over eens dat appellante in het gesprek van 1 april 1997 heeft toegezegd om in een vervolggesprek op 15 april 1997 een alsdan gereed zijnd plan van aanpak met tijdsplanning te bespreken. Op 14 april 1997 heeft appellante per mailbericht aan C laten weten dat zij op enkele punten was vastgelopen en heeft zij de suggestie gedaan een begeleidingsgroep in te stellen. Op 15 april 1997 heeft C appellante aangezegd dat ze met onmiddellijke ingang uit haar functie wordt ontheven en dat haar met inachtneming van een opzegtermijn van één maand, per 1 juni ontslag zal worden verleend. Op 17 april 1997 is het ontslagbesluit aan haar toegezonden. Dit besluit is, na gemaakt bezwaar, bij het thans in geding zijnde besluit op bezwaar van 16 juni 1997 gehandhaafd. De president van de rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Hij heeft weliswaar kritische opmerkingen gemaakt onder meer over het nalaten van schriftelijke verslaglegging van de gevoerde gesprekken, maar heeft niettemin geoordeeld dat gedaagde zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellante niet aan in redelijkheid te stellen eisen en/of verwachtingen heeft voldaan. Dat appellante onvoldoende zou zijn begeleid en dat er geen behoorlijke taakomschrijving zou zijn geweest heeft de rechtbankpresident niet steekhoudend geacht. Appellante heeft in hoger beroep in hoofdzaak aangevoerd dat er bij de ontslagverlening zodanig grove procedurefouten zijn gemaakt - met name schending van het beginsel van hoor en wederhoor - dat deze in een bezwarenprocedure niet meer hersteld konden worden. Volgens appellante berust het ontslag voorts op een onvoldoende feitelijke grondslag en zijn haar belangen volledig miskend. Zij heeft vernietiging van het ontslagbesluit gevorderd alsmede vergoeding van de als gevolg van het onrechtmatige ontslag geleden schade. De Raad overweegt het volgende. Appellante was aangesteld in tijdelijke dienst in verband met het verichten van werk met een kennelijk tijdelijk karakter. Artikel 95, tweede lid, van het ARAR bepaalt dat in een dergelijk geval ontslagverlening mogelijk is, mits een opzegtermijn in acht wordt genomen. Naar vaste jurisprudentie kan een ontslag op grond van dat artikel worden verleend op elke redelijke grond. De Raad onderschrijft het standpunt van appellante dat bij de ontslagverlening de in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde hoorplicht op zodanig ernstige wijze is geschonden, dat dat onvoldoende hersteld kon worden in de bezwarenprocedure. Voor de Raad staat vast dat appellante op 15 april 1997 volstrekt onvoorbereid met het voorgenomen ontslag is geconfronteerd en dat zij daarom geen reële kans heeft gehad om haar zienswijze te laten meewegen in het besluitvormingsproces. Van een situatie als bedoeld in artikel 4:11 van de Awb was naar het oordeel van de Raad geen sprake. Weliswaar kan gedaagde er belang bij hebben om een ambtenaar die naar zijn mening disfunctioneert op zo kort mogelijke termijn te ontslaan, echter gelet op het tempo van de besluitvorming had, ook wanneer het beginsel van hoor en wederhoor wel in acht zou zijn genomen, eveneens ontslagverlening per 1 juni 1997 kunnen plaatsvinden. De Raad acht daarom gronden aanwezig om de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te vernietigen. De Raad acht echter tevens termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Zoals hiervoor is vermeld kan ontslag van een ambtenaar die is aangesteld voor werkzaamheden van kennelijk tijdelijk karakter, plaatsvinden op elke redelijke grond. Met erkenning van het feit dat in de gedingstukken nogal eenzijdig de zienswijze van het management is neergelegd, is de Raad toch van oordeel dat voldoende vaststaat dat appellante in kwalitatief en kwantitatief opzicht niet voldeed aan de verwachtingen die gedaagde redelijkerwijze kon hebben van een functionaris op haar niveau. De Raad acht bij zijn oordeel van betekenis dat appellante in eerdergenoemd mailbericht ook zelf te kennen heeft gegeven dat ze op enkele punten was vastgelopen en dat ze behoefte had aan een begeleidingsgroep. De Raad ziet daarin een bevestiging van de opvatting van gedaagde over het functioneren van appellante. De Raad leidt daaruit tevens af dat, ook bij toepassing van hoor en wederhoor, appellante een enkele dagen later gegeven ontslag per 1 juni 1997 niet had kunnen tegenhouden. Wat betreft de gevorderde schadevergoeding is de Raad in aansluiting bij het voorgaande van oordeel dat van voor vergoeding in aanmerking komende materiële schade niet is gebleken. Voor vergoeding van immateriële schade acht de Raad evenmin termen aanwezig, aangezien niet aannemelijk is (gemaakt) dat appellante zodanig onder het vernietigde besluit van gedaagde heeft geleden, dat sprake is van geestelijk leed dat kan worden beschouwd als een aantasting in haar persoon in de zin van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Het verzoek om vergoeding van materiële en immateriële schade moet dan ook worden afgewezen. Wel acht de Raad termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep ten bedrage van f. 2.840,-- voor kosten van rechtskundige bijstand. Tevens dient aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van f. 525,-- te worden vergoed. Beslist wordt als hierna vermeld. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het inleidend beroep van appellante tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; Wijst het verzoek om schadevergoeding af; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep ten bedrage van in totaal f. 2.840,--, te betalen door de Staat der Nederlanden; Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt. Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr H. Bekker en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 1999. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) D. Boers. HD 20.04 Q
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.