← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8326

97/10163 ABW U I T S P R A A K in het geding tussen: A te B, appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant is op bij het beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Utrecht onder dagtekening 19 augustus 1997 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Hierop heeft appellant met een brief d.d. 31 maart 1999 gereageerd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 april 1999, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente Utrecht. II. MOTIVERING In de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder - heeft de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld: "Op 5 september 1996 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Ten tijde van de aanvraag was eiser begonnen met een deeltijdopleiding tot onderzoeker/bioloog aan de Universiteit Utrecht, nadat hij de HBO-opleiding Laboratorium Onderwijs en Chemische Technologie, richting zoölogie had afgerond. Bij brief van 11 september 1996 heeft de directeur Sociale Zaken van de dienst Welzijn van de gemeente Utrecht eiser meegedeeld dat voor de beoordeling van de aanvraag aanvullende gegevens nodig waren, te weten een kopie van uitschrijving van de deeltijdstudie. Bij besluit van 24 september 1996 heeft verweerder besloten de aanvraag niet verder in behandeling te nemen, met als motivering dat verweerder nog steeds over onvoldoende gegevens beschikte om de aanvraag af te handelen. Eiser heeft tegen dit besluit op 15 oktober 1996 een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 13 december 1996 is het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.". Deze feiten en omstandigheden worden door partijen niet betwist, en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming. De Raad voegt er enkel aan toe dat het besluit d.d. 13 december 1996 berust op gronden, ontleend aan artikel 9, tweede lid onder b en onder c, van de Abw. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het besluit d.d. 13 december 1996 vernietigd allereerst omdat artikel 9, tweede lid onder b, van de Abw in het geval van appellant niet van toepassing is en voorts omdat het strijdt met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiertoe is overwogen, in het kort, dat de aanvraag van appellant alleen kan worden beoordeeld aan de hand van artikel 9, tweede lid aanhef en onder c, van de Abw en dat gedaagde onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de feitelijke en reële beschikbaarheid van appellant voor de arbeidsmarkt, zodat het bestreden besluit niet toereikend is gemotiveerd. Voorts heeft de rechtbank aanleiding gevonden om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, in deze zin dat zij, onder herroeping van het primaire besluit, heeft beslist dat de aanvraag om bijstand van appellant wordt afgewezen. Dit vindt grond in de overweging van de rechtbank dat, indien appellant gebruik had gemaakt van de in zijn geval bestaande mogelijkheid de voltijdopleiding biologie te volgen, hij aanspraak had kunnen maken op financiering ingevolge de Wet op de studiefinanciering (WSF); aangezien, aldus de rechtbank, deze financiering als een voorliggende voorziening in de zin als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Abw moet worden aangemerkt, vormt dit voorschrift een beletsel voor een recht van appellant op een bijstandsuitkering. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte op grond van het voorschrift van artikel 17, eerste lid, van de Abw heeft beslist dat zijn aanvraag om bijstand wordt afgewezen en voorts dat hij op een dergelijke uitkering wel recht kan doen gelden. De Raad overweegt het volgende. In de eerste plaats onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat het bepaalde in artikel 9, tweede lid onder b, van de Abw niet kan dienen als afwijzingsgrond van de aanvraag van appellant, aangezien appellant nu eenmaal een vorm van onderwijs volgde - wetenschappelijk onderwijs in deeltijd - die niet valt onder het onderwijs, bedoeld in hoofdstuk II van de WSF. Voorts acht de Raad juist dat de rechtbank het bestreden besluit inhoudelijk heeft beoordeeld met toepassing van artikel 9, tweede lid aanhef en onder c, van de Abw en volgt hij ook de rechtbank in haar conclusie dat gedaagde onvoldoende feitelijk onderzoek heeft gedaan ter beantwoording van de vraag of appellant gezien dat voorschrift recht op een bijstandsuitkering heeft. Hierbij neemt de Raad nog het volgende in aanmerking. Naar de woorden van artikel 9, tweede lid aanhef en onder c, van de Abw heeft geen recht op algemene bijstand degene, wiens voor werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 19 uur per week in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of van een beroepsopleiding, tenzij het betreft een scholing of opleiding als bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdeel g. Het voorschrift van artikel 9, tweede lid onder c, is bij de Wet van 21 december 1995, Stb. 691, in de Abw toegevoegd in verband met het afschaffen van het recht op kinderbijslag op basis van de Algemene kinderbijslagwet (AKW) voor kinderen ouder dan 18 jaar; anders echter dan in de AKW ter zake was geregeld, bevat artikel 9, tweede lid onder c, van de Wet niet een leeftijdsgrens. Aan de wetsgeschiedenis van de Wet van 21 december 1995 kan nog worden ontleend dat onder het volgen van onderwijs wordt verstaan het volgen van lessen en het verrichten van stage. In het voetspoor van zijn uitspraak van heden in het geding nummer 98/1198 NABW, is de Raad ook hier van oordeel dat de vraag, of in het geval van appellant de voor werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 19 uur per week in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of van een beroepsopleiding, beantwoord dient te worden met inachtneming van objectieve dan wel objectiveerbare gegevens betreffende de studielast van de studie in concreto (inclusief eventueel verleende vrijstellingen) zoals blijkt uit officiële gegevens terzake van de betrokken onderwijsinstelling. Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat gedaagde niet heeft onderzocht wat de studielast in het studiejaar 1996/1997 van de door appellant gevolgde deeltijdstudie was. Terecht derhalve heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd omdat het strijdt met artikel 7:12 van de Awb. De Raad komt vervolgens toe aan de vraag of de rechtbank terecht heeft beslist dat de aanvraag om bijstand van appellant op grond van artikel 17, eerste lid, van de Abw wordt afgewezen. Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend. Gezien naar artikel 17, eerste lid, van de Abw bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. De Raad is evenwel van oordeel dat - zoals hiervoren al is vastgesteld - appellant een studie volgt die niet in de termen van hoofdstuk II van de WSF valt. Daarom kan appellant niet daadwerkelijk een beroep op studiefinanciering doen. Reeds dit gegeven staat eraan in de weg dat de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Abw wordt afgewezen. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak niet in stand gelaten kan worden, met dien verstande dat dit geen betrekking heeft op de in het dictum van de aangevallen uitspraak voorts opgenomen beslissingen inzake griffierecht en proceskosten, en dat ook het bestreden besluit moet worden vernietigd, dit, naar de opvatting van de Raad, wegens strijd niet alleen met artikel 7:12 maar ook met artikel 3:2 van de Awb. Appellant heeft verzocht gedaagde te veroordelen in de schade aan zijn kant op grond van artikel 8:73 van de Awb. Uit het hiervoor overwogene blijkt evenwel dat het bestreden besluit wordt vernietigd op grond van gebreken in de totstandkoming ervan en dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden. Gedaagde zal bij het nemen van een nieuw besluit, zeker indien het komt tot toekenning van bijstand aan appellant, tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden. Het verzoek van appellant zal de Raad dan ook afwijzen. De Raad acht wel termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 6,24 aan reiskosten. De Raad beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin over vergoeding van het griffierecht en de proceskosten in eerste aanleg is beslist; Verklaart het inleidend beroep gegrond; Vernietigt het bestreden besluit; Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak; Bepaalt dat de gemeente Utrecht aan appellant het gestorte recht van f 160,-- vergoedt; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot f 6,24, te betalen door de gemeente Utrecht. Wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr Ch. de Vrey en mr J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van mr P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 1999. (get.) J.G. Treffers. (get.) P.C. de Wit. BvW/HL 315

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.