← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8340

98/2376 AOW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Sociale Verzekeringsbank, appellant, en A, wonende te B, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft bij besluit van 26 februari 1997 ongegrond verklaard het bezwaar tegen zijn besluit van 20 november 1996, houdende de herziening van het aan gedaagde toegekende ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ingaande 1 november 1996 naar het pensioen voor een gehuwde. De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 2 maart 1998 het tegen het besluit van 26 februari 1997 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd met bepaling dat appellant het griffierecht dient te vergoeden. Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden. Voorts heeft appellant bij brief van 15 december 1998 nog enige stukken in het geding gebracht. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 mei 1999, waar partijen niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Gedaagde, geboren in 1924, is in 1953 gehuwd met C, geboren in 1916, welk huwelijk in 1976 door echtscheiding is ontbonden. Naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag heeft appellant ingaande 1 februari 1989 een ouderdomspensioen ingevolge de AOW voor een ongehuwde aan gedaagde toegekend. Bij brief van 10 oktober 1996 heeft gedaagde medegedeeld dat zij in 1996 hertrouwd is met C, doch dat zij beiden op hun eigen adres blijven wonen. Appellant heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de feitelijke situatie. In het naar aanleiding van dat onderzoek opgestelde rapport wordt onder meer het volgende opgemerkt: "A was aan het woord, zij verklaarde dat zij met haar ex-man op aanraden van haar notaris hertrouwd met de heer C, zodat als de heer C komt te overlijden, zij direct over de erfenis kan beschikken en de successierechten over de erfenis kan omzeilen. Zij wil en zal nooit gaan samenwonen met de heer C, omdat samenleven met hem niet mogelijk is. Zij verklaarde wel elke dag rond 16.00 uur naar de heer C te gaan om voor hem te koken. De heer C is namelijk niet erg mobiel meer. Zij vertrekt elke dag weer om 18.00 uur. Zij wil zo min mogelijk contact met de heer C. Zij verklaarde nooit te slapen in het huis van de heer C, de heer C slaapt beneden op een éénpersoonsbed. Verder hebben zij geen verder contact met elkaar.". Bij besluit van 20 november 1996 heeft appellant vervolgens het aan gedaagde toegekende ouderdomspensioen ingaande 1 november 1996 herzien naar het pensioen voor een gehuwde, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd, nadat omtrent een nieuw onderzoek ten huize van C onder meer het volgende was gerapporteerd: "Een paar jaar geleden werd op initiatief van mevrouw A het contact hersteld. Het eerste contact was telefonisch en begon met de vraag "Hoe gaat het ermee?" Uiteindelijk resulteerde dit in het opmaken van een testament, waarin werd vastgelegd dat na het overlijden van de man het huis aan de vrouw zal toekomen. De heer C vindt dit terecht omdat de vrouw in het verleden er evengoed voor gewerkt heeft. Voorwaarde is dat de vrouw kookt voor de man. .... Gemiddeld komt de vrouw 3x per week. C gaat nooit naar de vrouw. Het eten wordt door de man gekocht in een soort "SRV-wagen". De vrouw maakt van verse produkten porties klaar voor meerdere dagen. Ook trekt de man zelf wel eens een pot/blikje open. De man beslist overigens zelf wat hij eet. De vrouw eet nimmer mee. Zij blijft anderhalf a twee uur per keer (gelegen tussen 16.00 en 18.00 uur). De vrouw ontvangt geen enkele vergoeding. Verder verricht zij geen huishoudelijke werkzaamheden o.i.d. überhaupt heeft men verder niets met elkaar te maken. Men heeft geen en/of rekening, machtigingen, leningen, verzekeringen op elkaars leven afgesloten en is er geen medeverzekering v.w.b. de ziektekosten. Er zijn geen gemeenschappelijke bezittingen. Men onderneemt samen nimmer iets (vakanties, bezoek aan derden o.i.d.). .... De man beschouwt de vrouw als moeilijk en lastig en zal er nimmer sprake zijn van hereniging van de samenwoning.". De rechtbank heeft het beroep van gedaagde gegrond verklaard, overwegende dat zij niet vermag in te zien dat de enkele omstandigheid dat gedaagde de maaltijden voor haar echtgenoot bereidt en daarom bijna dagelijks contact met hem heeft, betekent dat geen sprake is van het ieder afzonderlijk leiden van een eigen leven. Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep betwist, aanvoerende dat de contacten tussen gedaagde en C zodanig zijn dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven, aangezien gedaagde een zorgplicht op zich heeft genomen die verder gaat dan gebruikelijke buren- of vriendenhulp. De Raad stelt voorop dat blijkens vaste rechtspraak sprake is van duurzaam gescheiden leven indien ten aanzien van een gehuwde man en vrouw de toestand is ontstaan, dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één hunner, als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden van het geval. (HR 10 februari 1960, BNB 1960/77 en RSV 1960/67). Deze jurisprudentie ziet op gevallen waarin een einde is gekomen aan een samenleving van echtgenoten, terwijl in dit geding de vraag aan de orde is of vanaf de datum waarop gedaagde en C zijn hertrouwd reeds gesproken kan worden van duurzaam gescheiden leven. De Raad is van oordeel dat in het algemeen aangenomen kan worden dat na het sluiten van een huwelijk de betrokken huwelijkspartners de intentie hebben een echtelijke samenleving, al dan niet op termijn, aan te gaan, doch acht het niet uitgesloten dat onder omstandigheden reeds vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, zij het dat zulks ondubbelzinnig dient te blijken uit de feiten en omstandigheden. De Raad is, evenals de rechtbank, op grond van de uit de gedingstukken blijkende feiten en omstandigheden van oordeel dat een dergelijke bijzondere situatie zich in casu ten tijde hier van belang voordeed, nu gedaagde en C voor 9 oktober 1996 al lang gescheiden leefden en in die situatie na hun huwelijk niet of nauwelijks wijziging is gekomen, terwijl een wijziging ook niet door hen werd beoogd. Uit de hiervoor weergegeven verklaringen van gedaagde en C blijkt namelijk dat hun beider intentie voor en kort na het huwelijk niet gericht was op herstel van de samenleving op enige termijn, doch op een zakelijke regeling ten aanzien van de erfenis van C en zijn verzorging. Verder is de Raad niet gebleken dat zij, naast het dagelijks -zoals gedaagde heeft verklaard- dan wel enige keren per week -zoals C heeft verklaard- verzorgen van de warme maaltijden voor C nog contacten hadden welke tot een ander oordeel moeten leiden. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. Ten slotte stelt de Raad vast dat van appellant een griffierecht van f 675,- geheven dient te worden. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak; Bepaalt dat van appellant een recht wordt geheven van f 675,-. Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en mr F.P. Zwart en mr T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 juni 1999. (get.) N.J. Haverkamp. (get.) M.H.A. Uri. Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene Ouderdomswet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1, derde tot en met zevende lid, 2, 3 en 6 van die wet en de op die artikelen berustende bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden. IS

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.