97/ 344 WAO 97/6454 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: A, wonende te B, appellant, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 25 april 1994 heeft gedaagde appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 15 juni 1994 ingetrokken. De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 3 december 1996 het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Voorts heeft de rechtbank beslissingen gegeven terzake van de proceskosten en het griffierecht. Namens appellant is mr W.G. Fischer, advocaat te Beverwijk, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden, van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft gedaagde een afschrift overgelegd van zijn besluit van 22 juli 1997, waarbij appellants uitkering ingevolge de WAO met ingang van 15 augustus 1994 wordt ingetrokken. Bij brief van 26 januari 1999 heeft gedaagde enige vragen van de Raad beantwoord. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 april
- Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr Fischer, als zijn raadsman, en S.R. Balasar, als tolk. Gedaagde heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr E.G. van Roest, werkzaam bij Gak Nederland B.V. II. MOTIVERING Bij het besluit van 22 juli 1997 heeft gedaagde appellants uitkering ingevolge de WAO alsnog met ingang van 15 augustus 1994 ingetrokken. Gedaagde heeft dit besluit genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Dit besluit dient aangemerkt te worden als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aangezien gedaagde met dit besluit niet geheel aan appellants beroep tegemoet is gekomen wordt het beroep, op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb en artikel 6:24 van de Awb, mede gericht geacht tegen het besluit van 22 juli
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. In de eerste plaats heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant ten tijde in geding niet langer arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO omdat hij medisch gezien in staat moest worden geacht om zijn werk ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) bij DSW-Zaandam weer te verrichten. Onder verwijzing naar de in RSV 1989/220 gepubliceerde uitspraak van de Raad heeft de rechtbank voorts overwogen dat in een geval als het onderhavige, waarin een uitkeringsgerechtigde is aangewezen op werkzaamheden in WSW-verband, de zorgvuldigheid eist dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt voortgezet tot het moment waarop over (her)opneming in de zogeheten WSW-personenkring is beslist, waarbij van de uitkeringsgerechtigde gevergd kan worden dat hij daartoe zelf doelgerichte activiteiten ontwikkelt. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat appellant op 15 juni 1994 niet meer tot de personenkring van de WSW behoorde omdat zijn dienstverband op grond van artikel 28, eerste lid, van de WSW, was verbroken en de plaatsingscommissie van de WSW niet over zijn heropname in de personenkring had beslist. De rechtbank heeft tevens overwogen dat van appellant had mogen worden verwacht dat hij zich, na een hem vanwege gedaagde gezonden brief van 15 april 1994, opnieuw bij zijn werkgever zou hebben aangemeld, hetgeen hij echter heeft nagelaten. Op grond van voorgaande overwegingen heeft de rechtbank het redelijk geacht dat gedaagde appellants uitkering ingevolge de WAO zou intrekken met ingang van het moment waarop over diens heropneming in de WSW-personenkring zou zijn beslist als hij zich tijdig zou hebben aangemeld. De rechtbank was van oordeel dat een termijn van vier maanden na verzending van de brief van 15 april 1994 in deze redelijk was. In hoger beroep is namens appellant -kort gezegd- bezwaar gemaakt tegen de overweging van de rechtbank dat gedaagde zijn uitkering ingevolge de WAO vier maanden na de brief van 15 april 1994 mocht intrekken. Appellant heeft niet langer bestreden dat hij ten tijde in geding in staat was zijn arbeid in WSW-verband te verrichten. In dit geding dient de Raad de vraag te beantwoorden of de aangevallen uitspraak en het door gedaagde ter uitvoering van die uitspraak genomen besluit van 22 juli 1997, in rechte stand kunnen houden. De Raad overweegt als volgt. De Raad kan zich verenigen met de overwegingen van de rechtbank en neemt deze over. Ten aanzien van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt. Met appellant is de Raad van oordeel dat de brief van 15 april 1994 geen expliciete aanwijzing bevat op grond waarvan hij zich had dienen te realiseren dat hij zich bij DSW-Zaandam had dienen te melden. Deze brief vermeldt echter wel duidelijk dat hij geschikt werd geacht voor zijn eigen werk. Uit het zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapport van 30 maart 1994 blijkt voorts dat de behandelende arbeidsdeskundige appellant al op 30 maart 1994, in het bijzijn van zijn broer, mondeling te kennen heeft gegeven dat hij in staat werd geacht om zijn eigen werk weer te verrichten en dat hem door de arbeidsdeskundige dringend advies werd gegeven contact met de werkgever op te nemen. Appellant heeft niet bestreden dat het gesprek in de in voormeld rapport weergegeven zin heeft plaatsgevonden. Gelet op de inhoud van dat gesprek is de Raad van oordeel dat appellant zich reeds op 30 maart 1994 had kunnen en moeten realiseren dat hij zich voor werkhervatting bij DSW-Zaandam had kunnen melden. De omstandigheid dat de brief van 15 april 1994 niet een volledige weergave van het gesprek van 30 maart 1994 bevat kan aan die conclusie niet afdoen. Op grond van de voorhanden zijnde gegevens heeft de Raad met de rechtbank echter moeten vaststellen dat appellant zich na 30 maart 1994 niet bij zijn voormalige werkgever heeft gemeld en ook anderszins geen poging heeft ondernomen om weer in de WSW-personenkring te worden opgenomen. De omstandigheid dat appellant zich, naar is gesteld, niet kon verenigen met de beëindiging van zijn dienstverband op 19 juni 1993 en in verband daarmee contact heeft opgenomen met DSW-Zaandam, kan naar het oordeel van de Raad niet aangemerkt worden als een in dit verband relevant verzoek van appellant om weer toegelaten te worden tot de personenkring van de WSW. Daarbij wijst de Raad er op dat zowel gedaagde als appellant op dat moment van mening waren dat hij niet in staat was zijn werk te verrichten. De Raad overweegt voorts in gedaagdes opstelling ten aanzien van de hervatting van appellant in zijn werk bij DSW-Zaanstad geen aanleiding te hebben gevonden voor het oordeel appellants uitkering ingevolge de WAO, op grond van de in acht te nemen zorgvuldigheid, op een later tijdstip dan 15 augustus 1994 ingetrokken diende te worden. Op grond van het voorgaande beantwoordt de Raad de hiervoor vermelde vraag bevestigend. Daaruit volgt dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden en dat het beroep tegen gedaagdes besluit van 22 juli 1997 ongegrond verklaard dient te worden. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep dat appellant geacht moet worden te hebben ingesteld tegen het besluit van 22 juli 1997, ongegrond. Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en mr W.D.M. van Diepenbeek en mr T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van S.I. ter Riet als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 mei
- (get.) H. van Leeuwen. (get.) S.I. ter Riet. AB