← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8491

98/2255 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant, en [A. te B.], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Assen onder dagtekening 18 februari 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde heeft mr H. Koelewijn, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 juni 1999, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr P.J. van Ogtrop, werkzaam bij Gak Nederland bv, terwijl gedaagde, zoals tevoren bericht, niet is verschenen. II. MOTIVERING Gedaagde is op 4 maart 1996 op staande voet ontslagen uit haar werk als technisch administratief medewerkster, welk ontslag zij heeft aangevochten. De arbeidsovereenkomst is uiteindelijk door de kantonrechter per 1 juli 1996 ontbonden. Bij besluit van 28 augustus 1996 is aan gedaagde met ingang van 1 juli 1996 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. Vervolgens is bij besluit van 12 september 1996 op deze uitkering een sanctie toegepast van 20% gedurende een periode van 16 weken op grond van verwijtbare werkloosheid. Gedaagde heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend waarbij zij onder meer heeft doen verzoeken om haar in het geval van gegrondverklaring van het bezwaar een bedrag toe te kennen terzake van de kosten van rechtsbijstand. Bij besluit van 6 februari 1997 zijn de bezwaren van gedaagde gegrond verklaard. Hierbij is overwogen dat de mate van verwijtbaarheid van het ontslag niet duidelijk meer is vast te stellen en dat aan gedaagde het voordeel van de twijfel wordt gegund, hetgeen betekent dat de sanctie in het door gedaagde bestreden besluit van 12 september 1996 komt te vervallen. Gedaagde heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld. Op het verzoek om vergoeding van de tengevolge van het besluit van 12 september 1996 geleden schade bestaande uit de kosten van de in de bezwaarfase verleende rechtsbijstand, is bij primair besluit van 7 februari 1997 een beslissing genomen. Bij dit besluit is het verzoek om vergoeding van die kosten afgewezen. Het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 16 april 1997 ongegrond verklaard. Appellant heeft hierbij onder meer verwezen naar de uitspraken van de Raad van 24 januari 1995, JB 1995/47, 18 juni 1996, AB 1997/97 en 24 oktober 1996, TAR 1997/

  1. Gedaagde heeft tegen het besluit van 16 april 1997 beroep bij de rechtbank doen instellen. Naar de opvatting van gedaagde is haar verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand ten onrechte afgewezen. Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat appellant ten aanzien van het verzoek om vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten van rechtsbijstand ten onrechte bij afzonderlijk, nieuw primair besluit een beslissing heeft genomen en niet in het kader van de beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 12 september
  2. De rechtbank acht het in overeenstemming met de strekking van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat, wanneer in het kader van de bezwaarprocedure aan het bestuursorgaan een verzoek wordt gedaan om vergoeding van door het primaire besluit veroorzaakte schade, het bestuursorgaan daarop in het kader van het besluit op bezwaar een beslissing neemt. Door van het bestuursorgaan te verlangen dat naar aanleiding van door het primaire besluit veroorzaakte schade bij het besluit op bezwaar wordt beslist, kan naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke versnelling van de procedure worden bereikt. Het bezwaarschrift had daarom naar de opvatting van de rechtbank dienen te worden aangemerkt als een beroepschrift tegen het besluit van 6 februari 1997 dat op de voet van artikel 6:15 van de Awb naar de rechtbank had moeten worden doorgezonden. Het besluit van 16 april 1997 dient om die reden te worden vernietigd. De rechtbank heeft voorts het besluit van 6 februari 1996 gedeeltelijk vernietigd omdat dit besluit in de opvatting van de rechtbank geen adequate reactie is op hetgeen namens gedaagde in bezwaar ter zake van de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand is aangevoerd. Vervolgens heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien, waarbij de rechtbank het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase heeft afgewezen. Tenslotte is appellant veroordeeld tot betaling van griffierecht en proceskosten van gedaagde in de beroepsprocedure. Appellant voert in hoger beroep aan dat de rechtbank zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellant gehouden is om op een in een lopende bezwaarprocedure gedaan verzoek tot betaling van kosten van rechtsbijstand in het besluit op bezwaar een beslissing te nemen. De Raad overweegt het volgende. In lijn met 's Raads uitspraak van 7 oktober 1997, JB 1997/256 wordt overwogen dat gedaagde niet verplicht was om in het besluit op bezwaar van 6 februari 1997 tevens te beslissen omtrent het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase. De Raad acht hierbij van belang het voorwerp van bezwaar, te weten de op de werkloosheidsuitkering van gedaagde toegepaste sanctie. Gelet op de systematiek van de Awb heeft gedaagde het daarnaast in het bezwaarschrift tegen het besluit van 12 september 1996 opgenomen verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand kunnen opvatten als een verzoek terzake een nieuw, primair besluit te nemen. Uit de opvatting van de Raad dat een bestuursorgaan niet gehouden is bij het besluit op bezwaar omtrent evenbedoeld verzoek een besluit te nemen, vloeit logischerwijze voort dat een bestuursorgaan in voorkomende gevallen om proceseconomische redenen bij het besluit op bezwaar hieromtrent een beslissing kan nemen, tegen welke beslissing dan rechtstreeks beroep op de rechtbank openstaat. Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank het besluit van 16 april 1997 alsmede het besluit van 6 februari 1997, voorzover hierbij niet is beslist op het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase, ten onrechte heeft vernietigd. Ter beoordeling ligt, gegeven het inleidende beroep, thans nog voor of gedaagde bij het besluit van 16 april 1997 terecht het bezwaar tegen het primair besluit van 7 februari 1997, inhoudende een afwijzing van het verzoek om vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten van rechtsbijstand, ongegrond heeft verklaard. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij verwijst hiervoor naar hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak omtrent het verzoek van gedaagde heeft overwogen. Ook de Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval niet kan worden gesproken van bijzondere omstandigheden als bedoeld in zijn uitspraak van onder meer 27 mei 1997, AB 1997/327, op grond waarvan de kosten van rechtsbijstand in bezwaar niet voor rekening van gedaagde zouden kunnen blijven. De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb. Derhalve moet als volgt worden beslist. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond. Aldus gegeven door mr J.C.F. Talman als voorzitter en mr M.A. Hoogeveen en mr Th.C. van Sloten als leden in tegenwoordigheid van mr G. Leppink-Kooistra als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 augustus
  3. (get.) J.C.F. Talman. (get.) G. Leppink-Kooistra. JdB 0608

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.