← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8492

98/4572 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: A, wonende te B, appellante, en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante is mr G.M.M. Beeker, juridisch medewerker bij Onderwijsbonden CNV regiokantoor te Deventer, op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Zutphen onder dagtekening 14 mei 1997 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 september 1999, waar voor appellante is verschenen mr W.H.C. van Eck, werkzaam bij Onderwijsbonden CNV, terwijl voor gedaagde is verschenen mr C. van den Berg, werkzaam bij USZO Diensten BV. II. MOTIVERING Bij besluit van 22 december 1995 is aan appellante een uitkering ingevolge het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO) toegekend voor het tijdvak van 1 oktober 1995 tot 1 oktober

  1. Tevens is haar meegedeeld dat zij in aansluiting op deze uitkering recht heeft op een vervolguitkering tot 1 oktober
  2. Bij brief van 12 augustus 1996 heeft gedaagde aan appellante meegedeeld dat tengevolge van de wijzigingen van het BWOO per 1 augustus 1996 haar vervolguitkering niet één jaar maar twee jaar zal duren. Als gevolg hiervan is de einddatum van de toegekende vervolguitkering gewijzigd in 1 oktober
  3. Vervolgens is aan appellante bij besluit van 30 december 1996 meegedeeld dat op grond van het koninklijk besluit van 14 december 1996 (Stb. 680) geen recht op verlenging van de vervolguitkering bestaat voor degenen van wie het recht op een BWOO-uitkering is ingegaan voor 1 augustus
  4. Onder verwijzing naar deze wijziging van het BWOO heeft gedaagde zijn besluit van 12 augustus 1996 ingetrokken. Bij besluit op bezwaar van 14 april 1997 heeft gedaagde zijn eerder ingenomen standpunt gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 14 april 1997 ongegrond verklaard. Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellante als eiseres en gedaagde als verweerder is aangeduid - ontleent de Raad daaromtrent het volgende: "Voorts is van de zijde van eiseres aangevoerd dat verweerder door het besluit van 12 augustus 1996 in te trekken heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel omdat een haar toegekend recht weer wordt ontnomen, alsmede met het gelijkheidsbeginsel, omdat de verlengde vervolguitkering wel is blijven bestaan voor degene waarvan het recht op de verlenging van die uitkering is ingegaan voor 1 januari
  5. Allereerst overweegt de rechtbank dat per 1 augustus 1996 in het BWOO wijzigingen zijn aangebracht, teneinde het BWOO beter te laten aansluiten bij de per 1 maart 1995 gewijzigde Werkloosheidswet. Eén van die wijzigingen betrof artikel 31, eerste lid, van het BWOO, waarin sindsdien is bepaald dat de uitkeringsduur van de vervolguitkering niet één maar twee jaar bedraagt. Naar aanleiding van deze wijziging in het BWOO heeft verweerder het besluit van 22 augustus 1996 genomen. Voorts overweegt de rechtbank dat bij Besluit van 14 december 1996, in werking getreden op 31 december 1996, het BWOO opnieuw is gewijzigd. Bij dit besluit is "Artikel IIe Overgangsbepaling verlenging vervolguitkering" in het BWOO ingevoegd, waarin is bepaald: "
  6. De betrokkene die recht heeft op een uitkering op grond van het besluit zoals dat luidde op 31 juli 1996 en voldoet aan de voorwaarden van de vervolguitkering als bedoeld in artikel 30, heeft in afwijking van artikel 31, eerste lid recht op een uitkeringsduur van één jaar, tenzij het recht op het tweede jaar van de vervolguitkering is ingegaan voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
  7. In afwijking van het eerste lid onderscheidenlijk artikel 31, eerste lid, heeft de betrokkene van wie op of na de datum van inwerkingtreding van dit besluit, doch voor 1 januari 1997 het recht is ingegaan op het tweede jaar van zijn vervolguitkering als bedoeld in artikel 31, recht op een uitkeringsduur tot 1 januari 1997.". De rechtbank overweegt dat het BWOO dwingend recht bevat, zodat daarvan in beginsel niet kan worden afgeweken; de toepasselijke bepalingen laten verweerder geen ruimte ter zake een eigen beleid te voeren. Gelet op voornoemd artikel IIe van het BWOO dient dan ook te worden geoordeeld dat er voor verweerder in het geval van eiseres een plicht tot intrekking van het besluit van 12 augustus 1996 bestond. De rechtbank merkt op dat bijzondere omstandigheden denkbaar zijn, waarin strikte toepassing van dwingende wettelijke voorschriften als de onderhavige zo zeer in strijd komt met ongeschreven recht dat die toepassing op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat ten gevolge van de laatstgenoemde wijziging van het BWOO weliswaar een aan eiseres toegekend recht alsnog is ontnomen, hetgeen op gespannen voet staat met het beginsel van rechtszekerheid, doch de rechtbank acht daarbij van overwegend belang dat het bij het primaire besluit toegekende recht op een 'tweede jaar' vervolguitkering een periode beslaat die geruime tijd is gelegen na de datum van zowel dat primaire als ook het bestreden besluit. Gezegd kan worden dat aan eiseres een in de toekomst (mogelijk) gelegen voordeel is ontnomen. Gesteld noch gebleken is dat eiseres op grond van het door het besluit van 12 augustus 1996 bij haar opgewekte vertrouwen handelingen heeft verricht waardoor zij na de intrekking van dat besluit in een nadeliger positie is geraakt. Van bijzondere omstandigheden die nopen tot een contra legem werking als boven bedoeld, acht de rechtbank derhalve geen sprake. Met betrekking tot eiseresses beroep op het gelijkheidsbeginsel is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de in het eerdergenoemd Besluit tot wijziging van het BWOO d.d. 14 december 1996 gemaakte onderscheid in gevallen waarin het recht op verlengde vervolguitkering al dan niet vervalt, geen sprake is van gelijke gevallen, zodat eiseresses grief ter zake geen doel treft.". De Raad kan zich met deze overwegingen verenigen en maakt deze tot de zijne. De Raad overweegt voorts nog het volgende. Bij het tot stand brengen van een algemeen verbindend voorschrift, als hier aan de orde, is het in beginsel aan de materiële wetgever voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen en moet de rechter - gelet op zijn positie in het staatsbestel - het resultaat daarvan respecteren. Dit uitgangspunt lijdt uitzondering indien aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van dat algemeen verbindend voorschrift zodanige ernstige feilen kleven dat dit voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten. Een en ander brengt met zich dat de rechter bij de behandeling van een beroep dat tegen een in concreto genomen besluit is ingesteld ook gehouden kan zijn om - met terughoudendheid - te toetsen of het desbetreffende algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag voor dat besluit vormt. In dit verband is namens appellante ter zitting van de Raad naar voren gebracht dat naar haar opvatting het hierboven weergegeven artikel IIe Overgangsbepaling verlenging vervolguitkering, waarmee het BWOO met ingang van 31 december 1996 is gewijzigd, in strijd is met het algemene rechtsbeginsel van de rechtszekerheid, aangezien haar werkloosheid reeds was ingetreden ten tijde van de inwerkingtreding van genoemde bepaling en deze regeling voor haar met terugwerkende kracht nadeel oplevert. De Raad overweegt dienaangaande dat de bevoegdheid tot wijzigen van een regeling - ook ten nadele van een belanghebbende - de materiële wetgever in zijn algemeenheid niet kan worden ontzegd. Zo dient bij een regeling als hier aan de orde, waarbij het gaat om het vervallen van bepaalde financiële aanspraken, voldoende rekening te worden gehouden met de bijzondere belangen van de betrokkenen. Naar het oordeel van de Raad kan van de in de eerder genoemde wijziging van de BWOO getroffen overgangsregeling niet gezegd worden dat hiermee in onvoldoende mate met de belangen van de betrokkenen rekening wordt gehouden. In het enkele feit dat appellant vanaf 1 oktober 1997 niet langer aanspraak kan maken op nog een jaar vervolguitkering kan de Raad niet voldoende grond vinden voor het oordeel dat artikel IIe Overgangsbepaling verlenging vervolguitkering wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel buiten toepassing moet worden gelaten. Appellante heeft tenslotte nog doen aanvoeren dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Appellante stelt in dit verband - kort samengevat - dat zij als gevolg van de kortere duur van de uitkering niet in aanmerking kwam voor een door haar voorgenomen langdurig omscholingstraject. Nog daargelaten of zulks strijd met het rechtszekerheidsbeginsel oplevert, overweegt de Raad hieromtrent dat appellante haar stellingen op geen enkele wijze nader heeft kunnen onderbouwen. De Raad gaat hieraan dan ook verder voorbij. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Derhalve moet worden beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr J.C.F. Talman als voorzitter en mr M.A. Hoogeveen en mr Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van D. Nebbeling als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober
  8. (get.) J.C.F. Talman. (get.) D. Nebbeling. JdB 0410

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.