← Nederland

ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8528

98/299 AAW/WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant] wonende te [woonplaats], appellant, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 17 juli 1996 heeft gedaagde de aan appellant krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkeringen, die werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 januari 1997 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. De Arrondissementsrechtbank te Alkmaar heeft bij uitspraak van 3 december 1997 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellant is bij gemachtigde mr M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar, van die uitspraak in hoger beroep gekomen. In een aanvullend beroepschrift, met bijlagen, zijn de gronden van het hoger beroep uiteengezet. Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 juni 1999, waar voor appellant is verschenen mr Leijen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr J.B. van der Horst, werkzaam bij Gak Nederland B.V. II. MOTIVERING Onder verwijzing naar rubriek 3 van de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, volstaat de Raad dienaangaande met het volgende. Appellant, die de Turkse nationaliteit heeft, was laatstelijk werkzaam als productiemedewerker bij een cokesfabriek. Dit werk heeft hij op 30 augustus 1983 definitief gestaakt wegens pijnklachten aan de rechter elleboog. Nadat appellant over de maximumperiode een uitkering ingevolge de Ziektewet was verstrekt, heeft gedaagde hem met ingang van 30 augustus 1984 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de AAW en de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 30 januari 1986 heeft appellant van gedaagde toestemming gekregen zich met behoud van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in Turkije te vestigen. Ter uitvoering van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen is de mate van appellants arbeidsongeschiktheid opnieuw beoordeeld. Daartoe is appellant door de Sosyal Sigortalar Kurumu (SSK) in Turkije medisch onderzocht. De bevindingen van de SSK zijn aan gedaagde ter kennis gebracht via de daartoe bestemde formulieren. Nadien is appellant door gedaagde opgeroepen om in Nederland medisch te worden onderzocht. Hier is gedaagde op verzoek van de, gedaagde adviserende, verzekerings-geneeskundige, J. Biersteker, onderzocht door de neuroloog-verzekeringsarts dr E.F. Schreuder en de chirurg-ongevalsverzekeringsarts J.D.K. Munting. Vervolgens heeft de genoemde verzekeringsgeneeskundige appellant onderzocht en is, mede gelet op de rapporten van E.F. Schreuder en J.D.K. Munting, tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt is voor rechterarmsparend werk. Genoemde verzekeringsgeneeskundige heeft vervolgens de belastbaarheid van appellant vastgesteld, welke belastbaarheid is verwoord op 1 mei

  1. Een, gedaagde adviserende, arbeidsdeskundige is in zijn rapport van 14 mei 1996 tot de conclusie gekomen dat het verlies aan verdienvermogen van appellant 43,57% bedraagt. Na een daartoe strekkend advies van gedaagdes administratie heeft gedaagde het bestreden besluit genomen. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen dat besluit in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Naar aanleiding van appellants bezwaren van medische aard tegen het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat beschikbare medische gegevens onvoldoende aanleiding geven tot het oordeel dat de medische beperkingen van appellant in het voormelde verzekeringsgeneeskundig onderzoek onjuist waren vastgesteld. Ook overigens kon het bestreden besluit de toetsing van de rechtbank doorstaan. De Raad onderschrijft de aangevallen uitspraak op de gronden waarop de rechtbank haar beslissing heeft doen steunen. In hoger beroep voert appellant dezelfde bezwaren van medische aard aan die hij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht. Ook in het onderhavige stadium van de gedingvoering heeft appellant die bezwaren niet met enig niet reeds bekend medisch gegeven onderbouwd. Mede gelet hierop kan de Raad appellant dan ook niet volgen in diens stelling dat het bestreden besluit op een ontoereikende medische grondslag berust. Naar aanleiding van hetgeen namens appellant overigens in hoger beroep tegen het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak is aangevoerd overweegt de Raad als volgt. Appellant betoogt dat het bestreden besluit in strijd is te achten met artikel 2, onder e, van het Schattingsbesluit (Sb), zoals die bepaling ten tijde hier van belang luidde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij niet over een verblijfstitel beschikt en dat het een werkgever derhalve niet is toegestaan appellant in dienst te nemen. Op grond hiervan is appellant de mening toegedaan dat hij zodanige kenmerken heeft dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd hem in een bepaalde arbeid te werk te stellen en dat de Nederlandse arbeidsmarkt derhalve niet voor hem toegankelijk is zodat de onderhavige schatting ten aanzien van hem ten onrechte een uitsluitend theoretisch karakter heeft. De Raad overweegt dat de gestelde omstandigheid dat appellant niet over een verblijfstitel beschikt ten onrechte door hem in het kader van artikel 2, onder e, van het Sb is geplaatst, nu de in dit artikel bedoelde kenmerken op andere aspecten betrekking hebben dan die waarop appellant hier doelt. Voorts is de Raad -en in de lijn van zijn uitspraak van 28 juni 1989, RSV 1990/57- van oordeel dat, zo appellant als gevolg van andersoortige regelgeving dan betreffende het sociaal verzekeringsrecht, te weten verblijfsrechtelijke bepalingen, niet in staat is arbeid te verkrijgen, dit niet toe is te schrijven aan de bij appellant bestaande beperkingen uit ziekte of gebreken. Die omstandigheid moet derhalve voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant buiten beschouwing worden gelaten. Voorts heeft appellant aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is te achten met artikel 18, tweede lid, van het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers, op grond van welke bepaling de verdragssluitende partijen onder meer alles in het werk dienen te stellen om migrerende werknemers te verzekeren van het behoud van de in opbouw zijnde en de verkregen rechten met betrekking tot sociale zekerheid. Appellant stelt zich op het standpunt dat deze bepaling aan herziening van appellants arbeidsongeschiktheid naar een lagere klasse in de weg staat omdat hij, vanwege het ontbreken van een verblijfstitel geen van de voorgehouden functies kan gaan vervullen. Zo de mate van zijn arbeidsongeschiktheid wel naar een lagere klasse zou mogen herzien, dient appellant naar zijn oordeel hier te lande te worden toegelaten, teneinde te kunnen hervatten in functies, soortgelijk aan die welke hem zijn voorgehouden. De Raad overweegt met betrekking tot appellants opvatting dat de genoemde verdragsbepaling aan herziening tot een lager arbeidsongeschiktheidspercentage in de weg staat dat, nog daargelaten of deze bepaling moet worden beschouwd als een een ieder verbindende bepaling als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet, appellants beroep op de genoemde verdragsbepaling niet kan slagen, reeds omdat uit die bepaling niet voortvloeit dat op het betreffende uitvoeringsorgaan de verplichting rust de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de betrokkene ongewijzigd voort te zetten ook al heeft de betrokken verzekerde op grond van de betreffende bepalingen in de AAW en de WAO daarop geen aanspraak. Appellants argument dat, indien de betreffende verdragsbepaling niet in de weg staat aan herziening van de arbeidsongeschiktheid in de bedoelde zin, appellant dan hier te lande moet worden toegelaten, kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, aangezien het hier door appellant aan de orde gestelde aspect, dat geen onderwerp van het bestreden besluit uitmaakt, noch daarvan behoort uit te maken, buiten de omvang van het onderhavige geding valt. Gezien het voorgaande slagen appellants grieven in hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal derhalve worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en mr W.D.M. van Diepenbeek en mr T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van mr B. Fijnheer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 september
  2. (get.) H. van Leeuwen. (get.) B. Fijnheer. AB

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.