99/5891 AW-VV U I T S P R A A K van DE PRESIDENT VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen de Staatssecretaris van Defensie, verzoeker, en A., wonende te B., gedaagde. I. INLEIDING Verzoeker heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank Almelo van 29 oktober 1999, nummer 99/458 AW V1 A. Bij die uitspraak heeft de rechtbank, voorzover hier van belang, het door verzoeker jegens gedaagde op 20 april 1999 genomen besluit op bezwaar betreffende de weigering van schadevergoeding vernietigd en, zelf voorziende, gedaagde alsnog niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaarschrift tegen verzoekers primaire besluit houdende de afwijzing van gedaagdes aanvraag om schadevergoeding. Voorts heeft verzoeker verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. Het verzoek strekt ertoe het hier weergegeven dictum van de uitspraak te bevestigen met verbetering van de gronden die hebben geleid tot het alsnog niet-ontvankelijk verklaren van gedaagdes bezwaar. Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening op een zitting achterwege gelaten. II. MOTIVERING Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de President op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Aan de gedingstukken ontleent de President de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten. Namens gedaagde, als burgerambtenaar werkzaam bij een onderdeel van het Ministerie van Defensie, is bij brief aan de Minister van Defensie van 3 september 1997 medegedeeld dat zich bij hem, gedaagde, bij de uitoefening van zijn werkzaamheden een beroepsziekte heeft ontwikkeld en is aan de minister verzocht te berichten dat deze de aansprakelijkheid dientengevolge voor alle geleden en nog te lijden schade van gedaagde erkent en dat hij bereid is die schade te vergoeden. Bij brief van 8 september 1998 heeft verzoeker gedaagde (s gemachtigde) medegedeeld geen aansprakelijkheid te erkennen en het verzoek om schadevergoeding af te wijzen. Onder deze brief is melding gemaakt gemaakt van de mogelijkheid van bezwaar tegen dit besluit. Bij schrijven van 27 oktober 1998 heeft gedaagde zich met bezwaren tot gedaagde gewend. Op dit als bezwaarschrift aangemerkt schrijven heeft verzoeker bij zijn beschikking van 20 april 1999 de beslissing genomen het door gedaagde bestreden besluit van 8 september 1998 niet te herroepen. De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen de beslissing op bezwaar gegrond verklaard en overigens beslist als onder I is vermeld. Daarbij heeft de rechtbank beslissend geacht dat de brief van gedaagde van 3 september 1997 zowel naar bewoordingen als naar intentie gericht zou zijn geweest op een civielrechtelijke aansprakelijkstelling. Naar aanleiding van het onderhavige verzoek overweegt de President het volgende, waarbij hij voorop stelt dat voorzover hier een oordeel wordt gegeven met betrekking tot het geschil in de hoofdzaak, dit oordeel een voorlopig karakter draagt en niet bindend is voor de beslissing in de hoofdzaak. Verzoeker vraagt om bevestiging van de niet-ontvankelijkverklaring, maar dan op basis van het nadere oordeel dat gedaagde te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit van 8 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.