97/9522 AW t/m 97/9526 AW, 97/9846 AW en 97/9852 AW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellant] , wonende te [woonplaats], appellant, tevens gedaagde, hierna: appellant, en 1. het College van burgemeester en wethouders van de gemeente X, gedaagde, tevens appellant, hierna: gedaagde 1, 2. de Raad van de gemeente X, gedaagde, tevens appellant, hierna: gedaagde 2. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Appellant en gedaagden hebben op bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 12 september 1997, nrs. AWB 96/291 AW, AWB 96/293 AW t/m AWB 96/295 AW en AWB 96/463 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens appellant zijn verweerschriften ingediend. Namens gedaagden zijn (aanvullende) verweerschriften en nadere stukken ingezonden. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 30 maart 2000, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr W. Sleijfer, advocaat te Leeuwarden. Gedaagden hebben zich laten vertegenwoordigen door F.J. Kragten, werkzaam bij het Juridisch adviesbureau voor administratief recht en organisatie c.a., en C, burgemeester van de gemeente X. II. MOTIVERING 1. Feiten Appellant was sinds 1988 bij de gemeente X werkzaam als hoofd van de afdeling gemeentewerken (schaal 11) en tevens als commandant van de vrijwillige brandweer (hierna ook: commandant). In 1992 is in het kader van een reorganisatie van het gemeentelijk apparaat het vijf afdelingen tellende secretariemodel omgevormd tot een sectorenmodel met drie sectoren. Elke sector werd door een sectormanager geleid. 1.1. Weigering functie sectormanager Gedaagde 1 heeft bij schrijven van 5 november 1992 geweigerd appellant voor de functie van sectormanager Ontwikkeling en Beheer (hierna: sectormanager O&B) in aanmerking te brengen. Het beroep hiertegen is door de rechtbank te Leeuwarden bij uitspraak van 19 december 1995 (hierna: uitspraak 1) ongegrond verklaard. Dit beroep is door de Raad, na hoger beroep van appellant, bij zijn uitspraak van 10 april 1997, gepubliceerd in TAR 1997, 115, alsnog niet-ontvankelijk verklaard. De Raad overwoog dat de weigering slechts een deelbeslissing van het besluitvormingsproces in het kader van de reorganisatie vormde, geen herplaatsingsonderzoek-overstijgende betekenis had en derhalve niet een voldoende zelfstandig karakter had om haar als afzonderlijk appellabel besluit in de zin van de Ambtenarenwet 1929 te kunnen aanmerken. 1.2. Plaatsingsbesluiten; intrekking Appellant is bij besluit van 27 juli 1993 eerst in de gecombineerde functie van stedebouwkundig medewerker en hoofd brandweer geplaatst (schaal 10). Na bezwaar heeft gedaagde 1 besloten deze plaatsing geen doorgang te laten vinden. Vervolgens is appellant bij besluit van 14 februari 1994 in de functie van hoofd brandweer (schaal 10) geplaatst, nadat deze functie in een voltijds functie ten behoeve van de gemeenten X en Q gezamenlijk was gewijzigd. Dit besluit is na bezwaar bij besluit van 27 juni 1994 gehandhaafd. Omdat appellant zich ook toen nog niet met deze functie kon verenigen, heeft gedaagde 1 besloten breder te gaan werven. Bij uitspraak 1 is het beroep tegen het besluit van 27 juni 1994 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, omdat de functie naar het oordeel van de rechtbank gelet op artikel 1.3.3 van het sociaal statuut gemeente X (hierna: sociaal statuut) niet passend was. Appellant heeft hoger beroep ingesteld, maar het weer ingetrokken. Bij brief van 17 mei 1995 heeft gedaagde 1 meegedeeld dat hij per 1 juni 1995 een externe kandidaat tot hoofd brandweer had benoemd en voornemens was appellants verzoek van 23 december 1993 om reorganisatieontslag met toepassing van paragraaf 4.2 van het sociaal statuut alsnog in te willigen met toekenning van gegarandeerd wachtgeld overeenkomstig artikel 4.2.3 van dat statuut. Omdat appellant hiermee niet kon instemmen en gedaagde 1 die instemming onontbeerlijk achtte, heeft gedaagde 1 bij brief van 3 juli 1995 meegedeeld zijn voornemen niet te zullen uitvoeren. Bij de brief van 3 juli 1995 heeft gedaagde 1 wegens het ontbreken van uitzicht op een zinvolle taakuitoefening tevens zijn besluit van 14 februari 1994 tot plaatsing van appellant als hoofd brandweer ingetrokken. Het bezwaar hiertegen is bij besluit van 1 februari 1996 (hierna: besluit 1) niet-ontvankelijk verklaard. Gedaagde 1 achtte dit bezwaarschrift tegen een rechtens niet meer bestaand besluit gericht nu het plaatsingsbesluit bij uitspraak 1 was vernietigd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, overwegend dat bij uitspraak 1 niet het plaatsingsbesluit maar het op bezwaar daartegen genomen besluit van 27 juni 1994 was vernietigd, het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bezwaar met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alsnog ongegrond verklaard. 1.3. Ontslag als gemeenteambtenaar Bij besluit van 7 september 1995 heeft gedaagde 1, daartoe gemachtigd door gedaagde 2, appellant met ingang van 1 oktober 1995 op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de toepasselijke Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) eervol ontslag verleend. Eveneens bij besluit van 7 september 1995 heeft gedaagde 2 een in artikel 8:8, tweede lid, van de CAR/UWO bedoelde regeling getroffen waarbij de bepalingen van hoofdstuk 10 van de CAR/UWO van toepassing zijn verklaard, met dien verstande dat in afwijking daarvan het percentage zoals dat op 8 mei 2011 zal gelden ook gedurende de bijzondere verlengingsperiode van 9 mei 2011 tot 1 februari 2013 van toepassing zal blijven. Nadat appellant tegen beide besluiten bezwaar had gemaakt, heeft gedaagde 1 het ontslagbesluit bij besluit van 1 februari 1996 (hierna: besluit 2) gehandhaafd en heeft gedaagde 2 de uitkeringsregeling eveneens bij besluit van 1 februari 1996 (hierna: besluit 3) gehandhaafd. Bij de aangevallen uitspraak zijn de beroepen tegen de besluiten 2 en 3 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepalingen inzake vergoeding van proceskosten en griffierechten gegeven. De rechtbank achtte het ontslag ten onrechte op artikel 8:8 van de CAR/UWO gebaseerd nu gezien de oorsprong van de geschillen reorganisatieontslag eerder was aangewezen. 1.4. Ontslag als commandant Bij besluit van 17 mei 1995 heeft gedaagde 1 meegedeeld dat de functie van commandant werd opgeheven - nu zij in de nieuwe voltijdse functie van hoofd brandweer was opgegaan en laatstbedoelde functie met ingang van 1 juni 1995 was vervuld - en dat appellant met ingang van 1 juni 1995 op grond van artikel 19:1:39, eerste lid, aanhef en onder a, van de CAR/UWO uit zijn functie van commandant ontslag is verleend. Dit besluit is na bezwaar bij besluit van 1 februari 1996 (hierna: besluit 4) gehandhaafd. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep hiertegen ongegrond verklaard. 1.5. Ambtsjubileumgratificatie Wegens het bereiken van zijn 25-jarig jubileum als gemeenteambtenaar is appellant per 1 juli 1994 een gratificatie toegekend. Appellant heeft op 12 juni 1995 verzocht ook zijn brandweerinkomsten daarin te verdisconteren. Gedaagde 1 heeft dit verzoek bij besluit van 3 juli 1995 aangemerkt als een verzoek om herziening van een rechtens onaantastbaar toekenningsbesluit en geweigerd daarvan terug te komen op de grond dat de benoeming tot commandant van de vrijwillige brandweer geen aanstelling in de zin van het toepasselijke Algemeen Ambtenarenreglement (AAR) was. Na appellants bezwaar is dit besluit bij besluit van 1 februari 1996 (hierna: besluit 5) gehandhaafd. Bij de aangevallen uitspraak is appellants beroep hiertegen ongegrond verklaard. 2. Hoger beroepen Het hoger beroep van appellant is tegen de gehele aangevallen uitspraak gericht. Het hoger beroep van gedaagde 1 onderscheidenlijk van gedaagde 2 is alleen tegen onderdeel AWB 96/291 AW - de gegrondverklaring van het beroep tegen het ontslag -, onderscheidenlijk onderdeel AWB 96/463 AW - de vernietiging van het uitkeringsbesluit - van die uitspraak gericht. De Raad overweegt per hierna te noemen onderdeel van de aangevallen uitspraak als volgt. 2.1. AWB 96/293 AW (intrekking plaatsing, besluit 1) De Raad kan appellants stelling, dat gedaagde 1 niet bevoegd was het besluit tot plaatsing in de functie van hoofd brandweer in te trekken, niet onderschrijven. Nu bij uitspraak 1 was vastgesteld dat de functie van hoofd brandweer niet passend was en deze vaststelling rechtens onaantastbaar was geworden, was gedaagde 1 (zelfs) gehouden die plaatsing in te trekken en - nu dit reeds bij besluit van 3 juli 1995 was geschied - appellants bezwaar tegen die intrekking ongegrond te verklaren. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat dit bezwaar ontvankelijk was en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, alsnog ongegrond diende te worden verklaard. Appellant bestrijdt dit omdat hij aan zijn bezwaar tegen de plaatsing de voorwaarde had verbonden dat hij dat bezwaar te allen tijde nog zou kunnen intrekken indien zijn procedures met betrekking tot de door hem gewenste functie van sectormanager geen succes zouden blijken te hebben gehad. De Raad kan deze voorwaarde, nog daargelaten dat hij niet kan inzien dat daaraan na het rechtens onaantastbaar worden van uitspraak 1 nog betekenis zou kunnen toekomen, niet in het bezwaarschrift van 15 juni 1993 noch van 11 augustus 1993, noch van 11 maart 1994 lezen. Onderdeel AWB 96/293 AW met betrekking tot besluit 1 van de aangevallen uitspraak moet derhalve worden bevestigd. 2.2. AWB 96/291 AW (ontslag als gemeenteambtenaar, besluit 2) 2.2.1. Weigering functie sectormanager Appellant betoogt dat de rechtbank mede had dienen te overwegen of - en dat - hij gelet op het sociaal statuut tot sectormanager O&B had moeten worden benoemd, nu deze functie nagenoeg geheel met de functie van hoofd gemeentewerken overeenkwam en zich geen zwaarwichtige redenen tegen benoeming verzetten. De Raad kan appellant volgen in het eerste deel van zijn standpunt. Gelet op het in 's Raads bovengenoemde uitspraak van 10 april 1997 overwogene was tegen de weigering van 5 november 1992 om appellant voor de functie van sectormanager O&B in aanmerking te brengen eerst beroep mogelijk nadat de besluitvorming in het kader van het reorganisatieproces was voltooid. Nu - eerst - het ontslagbesluit van 7 september 1995 impliceerde dat die besluitvorming was voltooid, moet er voor de mogelijkheid van -beroep van worden uitgegaan dat bij besluit 2 mede vorenbedoelde weigering is gehandhaafd. Bij de toetsing van het bij besluit 2 gehandhaafde ontslagbesluit is derhalve thans eerst de vraag aan de orde of die weigering in rechte stand houdt. Gedaagde 1 heeft met het oog op die vraag betoogd dat het sociaal statuut niet op de functies van sectormanager van toepassing was. Voor deze stelling heeft de Raad in het sociaal statuut of anderszins niet voldoende steun kunnen vinden. Dat de functie van sectormanager O&B niet als A-functie maar als C-functie in de zin van artikel 3.1.4 van het sociaal statuut is aangemerkt, kan de Raad niet onjuist achten. Nu de vervanging van het secretariemodel door het sectorenmodel een wezenlijke verandering van de taak van de leidinggevende en de aan die functionaris te stellen eisen impliceerde, kon op goede gronden worden geoordeeld dat de functie van sectormanager O&B vergeleken met de functie van hoofd gemeentewerken een geheel nieuwe functie was, ook al was het aantal medewerkers van de sector O&B nauwelijks groter dan dat van de afdeling gemeentewerken en ook al zou appellant, naar hij stelt, als hoofd gemeentewerken in de praktijk reeds zo integraal hebben gewerkt als met het nieuwe model werd beoogd. Appellant had, nu de functie van sectormanager O&B als C-functie was aangemerkt, gelet op artikel 3.3.1 van het sociaal statuut geen aanspraak op plaatsing in die functie, zodat gedaagde 1 bij de beoordeling van appellants sollicitatie grote vrijheid toekwam en daarbij rekening mocht houden met zijn negatieve verwachting omtrent de wijze waarop appellant die functie zou uitoefenen. Dat gedaagde 1 bij het gebruik van de beoordelingsvrijheid in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht heeft gehandeld, kan de Raad niet inzien. Derhalve houdt de weigering appellant voor de functie van sectormanager O&B in aanmerking te brengen in rechte stand. 2.2.2. Ontslag op grond van artikel 8:8 CAR/UWO Vervolgens is de vraag aan de orde of gedaagde 1 in zijn hoger beroep terecht opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat reorganisatieontslag meer in de rede lag dan ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO. De Raad overweegt als volgt. Ingevolge artikel 8:8, eerste lid, van de CAR/UWO is ontslag mogelijk op een grond niet vallende onder de gronden vermeld in de daaraan voorafgaande artikelen van hoofdstuk 8. Ingevolge het tweede lid van artikel 8:8 treft de gemeenteraad met het oog op ontslag op grond van het eerste lid een regeling waarbij de ambtenaar een uitkering wordt verzekerd die naar het oordeel van de gemeenteraad met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten en meer kan bedragen dan de uitkering die uit hoofdstuk 10 voortvloeit. Gedaagde 1 betoogt dat op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO ontslag kon worden verleend, nu het los stond van de reorganisatie en er zodanig verstoorde, op appellants houding voorafgaand aan de reorganisatie terug te voeren, verhoudingen waren ontstaan dat geen zinvolle arbeidsrelatie meer mogelijk was. De Raad kan gedaagde 1 niet volgen. Gedaagde 1 heeft voorafgaand aan de reorganisatie geen aanleiding gezien de arbeidsrelatie te beëindigen, maar eerst op 19 juli 1995 aan gedaagde 2 voorgesteld de ontstane patstelling te doorbreken door een ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO, nu (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.