UITSPRAAK E N K E L V O U D I G E K A M E R 99/3102 WW U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: A., wonende te B., opposante, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij uitspraak van de Raad van 28 september 1999 is het door opposante ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 15 april 1999 in een geding tussen partijen niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de hiervoor vermelde uitspraak van de Raad heeft mr T. Voortman-Foppen, werkzaam bij De Unie, vakbond voor industrie en dienstverlening te Houten, bij brief van 9 november 1999 een verzetschrift ingediend. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 4 mei 2000, waar opposante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Voortman-Foppen, voornoemd. Geopposeerde heeft zich niet doen vertegenwoordigen. II. MOTIVERING De uitspraak van de Raad van 28 september 1999 steunt kort samengevat hierop, dat bij het instellen van het hoger beroep de ingevolge de wet gestelde termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift niet in acht is genomen en dat evenmin is gebleken van enige omstandigheid waardoor redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposante in verzuim is geweest. De Raad verenigt zich met hetgeen in voormelde uitspraak is beslist en overweegt naar aanleiding van hetgeen in verzet is aangevoerd nog het volgende. Aan de van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam ontvangen informatie d.d. 5 juli 1999 en de daarbij gevoegde bijlagen ontleent de Raad dat de rechtbank de aangevallen uitspraak op 15 april 1999 aangetekend aan opposante heeft verzonden, dat deze retour is ontvangen met als reden van onbestelbaarheid "niet-afgehaald" en dat de uitspraak vervolgens op 10 mei 1999 niet-aangetekend opnieuw is verzonden aan het adres van opposante. Aan het hoofd van de brief van 15 april 1999 is geautomatiseerd de datum 15 april 1999 vermeld en - zonder verdere aanduiding - met een stempel de datum 10 mei 1999 aangebracht. Aan de voet van de uitspraak staan zonder verdere onderscheiding de data 15 april 1999 en 10 mei 1999 gestempeld. In het bijzonder ontbreekt bij beide stukken de vermelding dat de datum 10 mei 1999 een tweede verzending betrof. Naar het oordeel van de Raad moet er van worden uitgegaan dat de uitspraak van de rechtbank op 15 april 1999 aangetekend aan partijen is verzonden en derhalve op de bij de wet voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Ingevolge artikel 6:8 van de Awb vangt de beroepstermijn derhalve aan op 16 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.