98/269 MAW U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., appellant, en de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de op 2 december 1997 door de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage onder nummer AWB 97/2540 MAWKMA gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn nog stukken aan de Raad toegezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 6 juli 2000, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr J.M. Molkenboer, advocaat te Roosendaal. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr drs E. Schelkers-Breed, werkzaam bij het Ministerie van Defensie. II. MOTIVERING Appellant is per 22 augustus 1988 aangesteld voor bepaalde tijd bij de Koninklijke Marine met een kort verbandverbintenis tot 22 augustus 1992, waarna aansluitend verlenging heeft plaatsgevonden. In december 1992 is appellant als matroos der eerste klasse geplaatst aan boord van Hr. Ms. X. Op 19 juni 1993 is appellant tezamen met twee collega's vanaf het schip via Portugal naar Nederland gerepatrieerd in verband met een in te stellen huishoudelijke onderzoek vanwege het vermoeden dat zich onder de manschappen van de X. incidenten betreffende intimidatie, onderdrukking en dreiging met geweld hadden voorgedaan waarbij appellant betrokken zou zijn geweest. Na afloop van dit onderzoek is appellant met onmiddellijke ingang geschorst. Na advies van de Commissie van onderzoek ontslag militairen (hierna: COOM) is aan appellant bij besluit van 18 februari 1994 met ingang van 1 maart 1994 ontslag verleend op grond van artikel 39, tweede lid, onder l -wangedrag in de dienst-, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Bij dat besluit is tevens bepaald dat het ontslag voortvloeit uit een aan appellant zelf te wijten oorzaak waardoor geen aanspraak bestaat op de in artikel 3 van de Premieregeling en aanvullende voorzieningen beroepsmilitairen 1982 (hierna: de premieregeling) bedoelde premie. Deze beslissingen zijn na bezwaar bij het in geding zijnde besluit van 24 januari 1997 gehandhaafd. De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellant allereerst aangevoerd dat de meervoudige kamer van de rechtbank die de zaak in eerste aanleg heeft behandeld op grond van artikel 5 van de Militaire Ambtenarenwet (MAW) was samengesteld uit twee tot de rechterlijke macht behorende leden en een militair lid dat in militair uniform zitting had. Volgens appellant voldoet een aldus samengestelde kamer niet aan de vereisten die artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) stelt ten aanzien van onafhankelijkheid en onpartijdigheid, omdat er geen waarborgen zijn geschapen voor de onafhankelijkheid van het militaire lid. Het militaire lid kan nog in dienst zijn van en ondergeschikt zijn aan de Minister van Defensie of is nog maar kort geleden uit militaire dienst ontslagen. Er is geen uitdrukkelijk verbod om het militaire lid instructies te geven met betrekking tot zijn functioneren als rechter. Voorts mag het militaire lid geen deel uitmaken van het bestuur van of in dienst zijn van een vereniging voor militairen en wordt het militaire lid ontslag verleend als het oneervol wordt ontslagen uit de militaire dienst of op grond van ongeschiktheid of onbekwaamheid wordt geschorst. Daardoor is appellant tot aan de Centrale Raad van Beroep verstoken gebleven van een onafhankelijk gerecht. Namens appellant is overigens aangevoerd dat het ontslag is gebaseerd op niet concrete, algemene en vage verwijten, dat de verweten gedragingen onvoldoende zijn komen vast te staan en niet zodanig ernstig zijn dat zij een oneervol ontslag rechtvaardigen. Gedaagde dient de aan appellant verweten gedragingen te bewijzen. Van een belangenafweging is niet gebleken en er is niet naar de individuele merites van het geval van appellant gekeken. Appellant is slechts vijf maanden aan boord geweest en in de anonieme verklaringen worden hem veel minder verwijten gemaakt dan aan de matrozen C. en D. Voorts is niet gemotiveerd dat appellant zich in meerdere mate heeft schuldig gemaakt aan verwijtbaar gedrag dan vijf andere matrozen die niet (oneervol) zijn ontslagen. De aan appellant opgelegde tuchtrechtelijke straffen die de rechtbank van belang heeft geacht betreffen alle zeer lichte vergrijpen over een periode van ruim 5 jaar. De geldboete van f 500,- waartoe appellant in 1996 is veroordeeld in verband met een vechtpartij aan boord van de X. kan een verstrekkende maatregel als oneervol ontslag evenmin ondersteunen. Appellant heeft na zijn schorsing binnen de Koninklijke Marine nog uitstekend gefunctioneerd en hem is nog een blijk van waardering toegekend. Appellant meent tenslotte dat de hem in het vooruitzicht gestelde premie dient te worden uitbetaald omdat hij door de handelwijze van gedaagde niet de mogelijkheid heeft gehad om werkelijke dienst te verrichten. De Raad overweegt met betrekking tot het standpunt van appellant dat de rechtsgang in eerste aanleg niet voldoet aan de waarborgen van het EVRM het volgende. De Raad kan en zal in het midden laten of appellant zich als (gewezen) militair, gelet op het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 8 december 1999 (Pellegrin tegen Frankrijk), JB 2000/19 en AB 2000/195, met betrekking tot zijn beide geschillen kan beroepen op de waarborgen van artikel 6 van het EVRM ten aanzien van het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen. Ook kan en zal de Raad in het midden laten of de behandeling van die geschillen bij de rechtbank niet in overeenstemming is geweest met genoemd artikel 6 en met hetgeen blijkens de rechtspraak van het EHRM uit dat artikel voortvloeit. Want zelfs indien aangenomen zou moeten worden dat appellant met recht zou kunnen stellen dat de procedure voor de rechtbank niet in overeenstemming is geweest met artikel 6 van het EVRM, is van een schending van dat verdragsartikel geen sprake, omdat de vraag of een gerechtelijke procedure heeft voldaan aan de vereisten van artikel 6 EVRM, nu geen sprake is van een 'serious criminal charge' (EHRM van 29 september 1999 in de zaak Moore en Gordon tegen het Verenigd Koninkrijk, nrs. 36529/97 en 37393/97) moet worden beoordeeld in het licht van de hele procedure en niet is aangevoerd dat de berechting door de Raad niet aan de vereisten van artikel 6 van het EVRM voldoet. De Raad verwijst in dit verband naar de beslissing van het EHRM van 27 april 2000, nr. 39355/98, (Varisli tegen Nederland) NJB 2000, pag. 1338, nr.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.