99/4567 AW, 99/6069 AW en 00/1577 AW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellante] te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Appellante heeft op de daartoe bij het beroepschrift en diverse aanvullende geschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage op 22 juli 1999 onder nr. AWB 98/7076 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Appellante heeft voorts hoger beroep ingesteld tegen de door evenvermelde rechtbank op 14 oktober 1999, onder nr. AWB 99/6563 AW gegeven uitspraak, waarnaar eveneens wordt verwezen. Appellante heeft bij schrijven van 20 juni 1999 (lees: 2000) eveneens hoger beroep ingesteld tegen de door die rechtbank op 18 mei 2000, onder nr. AWB 99/8357 AW gegeven uitspraak. Ook naar die uitspraak wordt verwezen. Gedaagde heeft verweerschriften ingediend. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 3 augustus 2000, waar appellante in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr H.M.E. van Wingerde, werkzaam bij de gemeente Den Haag. II. MOTIVERING Appellante is op 16 september 1977 in dienst getreden bij de gemeente [gemeente]. Zij heeft aanvankelijk gedurende een ruim aantal jaren de functie van [functie 1] bij [afdeling] vervuld. In verband met reorganisatie bij dit centrum en daarmee gepaard gaande opheffing van functies is appellante per 1 april 1994 aangewezen als herplaatsingskandidaat. Die aanwijzing heeft geleid tot tijdelijke plaatsingen op uiteenlopende functies. Ten tijde in deze gedingen van belang was appellante met toepassing van artikel 29, tweede lid, van de begin 1997 nog toepasselijke Sociale Leidraad (welke bepaling in hoofdlijnen overeenkomt met artikel 18 van het per 1 april 1997 voor de Sociale Leidraad in de plaats getreden Sociaal Beleidskader reorganisaties) geplaatst op de functie van [functie 2] bij [afdeling 2] ([afdeling 2]), welk bureau in de loop van de procedure eerst feitelijk en later formeel is gaan ressorteren onder [dienstonderdeel]. Eind 1997 hebben zich, mede naar aanleiding van een functioneringsgesprek en de verslaglegging dienaangaande, enige strubbelingen voorgedaan. Een en ander heeft appellante aanleiding gegeven om bij brief van 24 december 1997, in reactie op een bericht omtrent voortzetting van de werkzaamheden per 1 januari 1998, te kennen te geven dat een verdere voortzetting op de door haar als negatief ervaren basis niet kan plaatsvinden. Gedaagde heeft op 15 januari 1998 aan de Arbodienst om een geneeskundig onderzoek op basis van artikel 7:14:5, eerste lid, onder b, van het Ambtenarenreglement van de gemeente Den Haag (ARG) verzocht en appellante daarvan in kennis gesteld. Bij schrijven van 10 februari 1998 heeft gedaagde aan appellante de haar daags tevoren gedane mededeling bevestigd, onder verwijzing naar artikel 77 van het ARG, dat zij zich in afwachting van de uitslag en aanbevelingen van genoemd onderzoek tijdelijk thuis voor de dienst beschikbaar diende te houden. Bij dat besluit was gevoegd een mededeling omtrent de mogelijkheid binnen zes weken na bekendmaking een bezwaarschrift in te dienen. Tevens was daarbij gevoegd een mededeling omtrent een nieuwe voorprocedure inhoudend dat indien appellante het met de inhoud van dat besluit niet eens zou zijn, zij veertien dagen de gelegenheid had om commentaar te leveren in welk geval het besluit zou vervallen en de voorprocedure in werking treden (in de loop van de procedure is in dit verband gesproken van het indienen van bedenkingen). Appellante heeft op 19 februari 1998 een bezwaarschrift ingediend. Bij schrijven van 23 februari 1998 heeft de algemeen directeur van [dienstonderdeel], mede in reactie op genoemd bezwaarschrift van appellante, te kennen gegeven dat hij in afwachting van de uitslag van het geneeskundig onderzoek het standpunt handhaaft dat appellante zich tijdelijk thuis beschikbaar dient te houden. Tevens heeft hij erop gewezen dat appellante op grond van artikel 7:14:5, tweede lid, van het ARG verplicht is zich aan dat onderzoek te onderwerpen en vermeld dat indien appellante weigert deze verplichting na te komen op grond van artikel 7:4:2, tweede lid, van het ARG haar bezoldiging kan worden gestaakt. Aan dit schrijven werden dezelfde rechtsmiddelenverwijzingen gehecht als hiervoor vermeld. Ook tegen dit schrijven heeft appellante een bezwaarschrift ingediend. Zij voegde daarbij een afschrift van een brief van Prof. dr. M. Zeegers, zenuwarts, die appellante op haar verzoek op 23 februari 1998 had onderzocht. Gedaagde heeft bij schrijven van 11 maart 1998 op dit bezwaarschrift gereageerd en daarbij, onder nadere specificatie van zijn zienswijze met betrekking tot de rechtspositionele positie van appellante, het vermelde in de brieven van 10 en 23 februari 1998 herhaald. Aan het slot van dit schrijven is ten antwoord van appellantes vraag omtrent de formele status van genoemde eerdere brieven het navolgende vermeld: "Op deze brief is, evenals op de eerder aan u gezonden brieven, de bezwaarprocedure voor personeelsbesluiten van toepassing.". Aan dit schrijven waren vervolgens dezelfde rechtsmiddelenverwijzingen gehecht als hiervoor vermeld. Hiertegen is namens appellante onder uitdrukkelijke verwijzing naar de Algemene wet bestuursrecht een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 15 april 1998 heeft de secretaris van de Algemene bezwarencommissie personeelsbesluiten aan appellante bericht dat afhandeling van haar bezwaren zou plaatsvinden door [dienstonderdeel] omdat die bezwaren voorgenomen besluiten betroffen waartegen nog geen bezwaar kon worden ingediend. Bij schrijven van 17 april 1998 heeft de algemeen directeur van [dienstonderdeel] een uiteenzetting gegeven over de bezwaren die tegen de functievervulling van appellante waren gerezen en welke aanleiding hadden gegeven om een geneeskundig onderzoek te doen instellen. Vervolgens zijn de besluiten waartegen appellantes bezwaren zich richtten ingetrokken en is aan appellante het voornemen kenbaar gemaakt om de bedrijfsgezondheidsdienst op te dragen appellante op grond van het bepaalde in artikel 7:14:5, eerste lid, aanhef en onder a, van het ARG aan een geneeskundig onderzoek te (doen) onderwerpen. Appellante is in de gelegenheid gesteld binnen twee weken haar zienswijze met betrekking tot dit voornemen bekend te maken. Bij ditzelfde schrijven is aan appellante medegedeeld, dat zij op grond van artikel 8:15:1, eerste lid, onder d, van het ARG met onmiddellijke ingang werd geschorst, omdat de rustige/ordentelijke werksfeer op [afdeling 2] niet in voldoende mate zou zijn gegarandeerd indien zij op het werk aanwezig was. Bij schrijven van 6 mei 1998 heeft gedaagde aan appellante bericht dat het voorgenomen besluit, vermeld in de brief van 17 april 1998, tot een definitief besluit was geworden nu appellante van de mogelijkheid haar zienswijze bekend te maken geen gebruik had gemaakt. Bij schrijven van 13 mei 1998, aangevuld op 15 mei 1998 heeft appellante een bezwaarschrift ingediend, waarbij zij te kennen heeft gegeven: a. de bezwaren tegen de door gedaagde ingetrokken besluiten te handhaven; b. bezwaar in te dienen tegen het schorsingsbesluit van 17 april 1998; c. bezwaar in te dienen tegen het definitieve besluit haar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen. Bij besluit van 11 augustus 1998 heeft gedaagde, in overeenstemming met het advies van de Algemene bezwarencommissie personeelsbesluiten, besloten de bezwaren tegen de besluiten van 10 februari, 23 februari en 11 maart 1998 niet-ontvankelijk te verklaren en de bezwaren tegen de besluiten van 17 april en 6 mei 1998 ongegrond te verklaren. De rechtbank heeft bij haar uitspraak van 22 juli 1999 het beroep van appellante gegrond verklaard voor zover dat was gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 10 februari 1998, het bestreden besluit (van 11 augustus 1998) in zoverre vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Blijkens de overwegingen die de rechtbank gewijd heeft aan de in het besluit van 11 augustus 1998 vervatte niet-ontvankelijkverklaring van appellantes bezwaren heeft de rechtbank aanvaard dat de besluiten van 23 februari 1998 en 11 maart 1998 slechts voornemens bevatten om appellante aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen, waarbij gedaagde kennelijk toepassing zou hebben gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht. Met betrekking tot het besluit van 10 februari 1998 heeft de rechtbank geoordeeld dat van een voornemen geen sprake kon zijn nu dit besluit onmiddellijk rechtsgevolg had, te weten de schorsing van appellante uit haar functie. Voorzover het de besluiten van 23 februari en 11 maart 1998 betreft onderschrijft de Raad de opvatting van de rechtbank niet. Zowel qua inhoud als qua strekking waren deze besluiten er onmiskenbaar op gericht appellantes rechtspositie te bepalen. Uit die besluiten zelf valt op geen enkele wijze op te maken dat daarmee slechts voornemens tot uitdrukking zouden zijn gebracht. De verwijzing naar de mogelijkheid de salarisbetaling te staken (in het besluit van 23 februari 1998) en de slotzin van het besluit van 11 maart 1998 wijzen uitdrukkelijk op het tegendeel. Daarbij komt dat de Raad het in de vorm van een rechtsmiddelenverwijzing bieden van gelegenheid om de zienswijze kenbaar te maken met gelijktijdig verval van het genomen besluit, niet als een adequate invulling van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht vermag te zien, zeker niet indien die verwijzing (zoals hier is geschied) botweg naast de verwijzing naar de bezwaarschriftenprocedure ingevolge die wet wordt gesteld. De Raad kan er echter niet aan voorbijzien dat gedaagde bij zijn besluit van 17 april 1998 de besluiten waartegen appellantes bezwaren zich richtten heeft ingetrokken. Nu gesteld noch gebleken is dat appellante ten tijde van de intrekking als gevolg van die besluiten enige in aanmerking te nemen schade had geleden is de Raad van oordeel dat niet valt in te zien dat voor haar nog enig belang bij vernietiging van die besluiten resteerde. Gedaagde heeft derhalve terecht tot niet-ontvankelijkverklaring van appellante in haar bezwaren tegen de besluiten van 23 februari 1998 en 11 maart 1998 besloten, zij het dat daartoe niet het ontbreken van het besluitkarakter, maar het zijn komen te ontbreken van belang als grondslag had behoren te zijn gebezigd. Met betrekking tot het besluit van 10 februari 1998 heeft de rechtbank vernietiging uitgesproken onder verwijzing naar de stelling van appellante dat zij ten gevolge van dat besluit schade heeft geleden en onder de overweging dat gedaagde daaromtrent nog een besluit zal moeten nemen. Bij de uitspraak van 18 mei 2000 heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep tegen de weigering van gedaagde haar ter zake schadevergoeding toe te kennen ongegrond verklaard. De Raad is van oordeel dat die uitspraak in stand kan worden gelaten. Uit de gedingstukken blijkt dat het functioneren van appellante in de tweede helft van 1997 met wrijvingen gepaard is gegaan. Zij heeft zelf in dit verband melding gemaakt van emotionele uitbarstingen en erkend dat sprake is geweest van een incident waarbij zij zich door afzondering aan confrontatie heeft willen onttrekken. Verder kan niet worden voorbijgegaan aan de gang van zaken rond het in november 1997 gehouden functioneringsgesprek en de schriftelijk door appellante kenbaar gemaakte opvatting dat het zo niet verder kon. De Raad is van oordeel dat onder de geschetste omstandigheden in het begin van 1998 op zichzelf bezien sprake was van verstoorde verhoudingen die ertoe aanleiding konden geven appellante in afwachting van medisch onderzoek te schorsen in het belang van de dienst, teneinde aldus ongestoorde voortgang van het werk te verzekeren. Daaraan doet niet af dat daaraan feilen kleefden die gedaagde aanleiding hebben gegeven dit besluit in te trekken. Voorts is voor de Raad niet aangetoond dat appellante voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden als gevolg van het feit dat zij enige tijd op basis van een nadien niet gehandhaafd besluit geschorst is geweest. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat volledige doorbetaling van bezoldiging heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft het besluit van gedaagde van 10 februari 1998 naar het oordeel van de Raad terecht geduid als een schorsingsbesluit. Vastgesteld moet dan vervolgens worden dat gedaagde dit besluit bij zijn besluit van 17 april 1998 heeft ingetrokken en bij datzelfde besluit opnieuw tot schorsing van appellante uit haar functie heeft besloten. Ingevolge artikel 6:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht mag een bestuursorgaan na de intrekking of wijziging van een bestreden besluit, zolang het bezwaar of beroep aanhangig blijft, geen besluit nemen waarvan de inhoud of strekking met het oorspronkelijke besluit overeenstemt, tenzij: a. gewijzigde omstandigheden dit rechtvaardigen en b. het bestuursorgaan daartoe los van het bezwaar of beroep ook bevoegd zou zijn geweest. Naar het oordeel van de Raad stond het gedaagde gelet op evenvermelde wetsbepaling niet vrij het ingetrokken schorsingsbesluit van 10 februari 1998 te vervangen door dat van 17 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.