E N K E L V O U D I G E K A M E R 98/7002 Anw U I T S P R A A K in het geding tussen: A, wonende te B, appellante, en de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 21 april 1997 heeft gedaagde, na bezwaar, gehandhaafd zijn eerdere besluit van 18 november 1996, waarbij is geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen. De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 23 juli 1998 het beroep tegen het besluit van 21 april 1997 ongegrond verklaard. Het namens appellante ingestelde hoger beroep strekt tot vernietiging van deze uitspraak en toekenning van een nabestaandenuitkering. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 6 september 2000. Appellante is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar raadsman, mr H.M.L. Brands, advocaat te Alphen aan den Rijn. Gedaagde is niet verschenen. II. MOTIVERING Appellante is tot 1994 gehuwd geweest met C, die is overleden in 1996. Naar aanleiding van dit overlijden heeft appellante in november 1996 een aanvraag om uitkering op grond van de -op 1 juli 1996 in werking getreden- Algemene nabestaandenwet (Anw) bij gedaagde ingediend. Hierop heeft gedaagde afwijzend beslist op de grond dat appellante niet als nabestaande in de zin van de Anw is aan te merken. Dit besluit is na bezwaar en beroep in stand gebleven. Bij de beoordeling van het hoger beroep stelt de Raad voorop dat, naar van de zijde van appellante niet is bestreden, zij niet als nabestaande in de zin van artikel 1, onder e, in verbinding met artikel 3, van de Anw kan worden aangemerkt. Een aanspraak op nabestaandenuitkering zou appellante slechts kunnen ontlenen aan artikel 4 van de wet, dat bepaalt dat onder nabestaande mede wordt verstaan de gewezen echtgenote van een overleden verzekerde, indien: a. het huwelijk anders dan door de dood is ontbonden; en b. de overleden verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden verplicht is krachtens rechterlijke uitspraak of overeenkomst, vastgelegd in een notariële akte of een akte mede ondertekend door een advocaat, levensonderhoud te verschaffen aan de gewezen echtgenoot op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; en c. de gewezen echtgenoot overeenkomstig de bepalingen in deze wet recht op nabestaandenuitkering zou hebben gehad, indien het overlijden plaats zou hebben gehad op de dag van ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood. In hoger beroep is betoogd dat weliswaar in casu geen rechterlijke uitspraak of (notariële) akte als hierboven bedoeld onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.