98/5347 ALGEM U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 17 september 1996 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 9 april 1996, waarbij afwijzend is beslist op haar verzoek van 28 februari 1996 om afgifte van een zelfstandigheidsverklaring. De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 17 juni 1998 het door appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift van 16 november 1998 tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Raad. Gedaagde heeft op 24 december 1998 een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 december 1999, waar appellante in persoon is verschenen bijgestaan door mr N.J. Bakker, werkzaam bij de Nederlandse Maatschappij ter bevordering van Tandheelkunde, en mr J.C. van der Water, werkzaam bij VB Deloitte & Touche, en waar voor gedaagde is verschenen mr H.J. van Werven, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V. II. MOTIVERING Op 15 december 1994 heeft gedaagde met een aantal belangenverenigingen voor (para)medische beroepen een convenant gesloten inzake een zelfstandigheidsverklaring voor waarnemers. Met de in dit convenant vervatte regeling inzake de afgifte van een zelfstandigheidsverklaring is beoogd waarnemers die werkzaam zijn in de zelfstandige uitoefening van een beroep, voor de toepassing van de sociale werknemersverzekeringswetten te onderscheiden van de waarnemers die niet als zodanig werkzaam zijn, en aldus een waarnemer alsook een opdrachtgever de gewenste zekerheid te bieden omtrent de vraag of op de door de waarnemer te verrichten werkzaamheden deze wetten van toepassing zijn. De afgifte van een zelfstandigheidsverklaring brengt enerzijds met zich dat de houder van die verklaring niet verzekerd is op grond van de sociale werknemersverzekeringswetten, en anderzijds dat de opdrachtgever wordt gevrijwaard van de inhoudings- en afdrachtverplichtingen die uit deze wetten voortvloeien. In het convenant wordt onder waarnemer verstaan de natuurlijke persoon die zich jegens opdrachtgever(s) verbindt tot het verrichten van als waarneming te kwalificeren werkzaamheden en die als zodanig staat ingeschreven in het waarnemersregister van de betreffende belangenvereniging. Onder waarneming wordt verstaan de contractuele relatie tussen waarnemer en opdrachtgever waarbij de waarnemer zich jegens de opdrachtgever verbindt tot het verrichten van (para)medische werkzaamheden ter vervanging van de opdrachtgever. Een (para)medicus die in aanmerking wenst te komen voor een zelfstandigheidsverklaring dient aan enkele absolute voorwaarden te voldoen en tevens in beginsel aan een aantal aanvullende voorwaarden. De voorwaarden waaraan in ieder geval moet worden voldaan, zijn: - een afgeronde studie; - inschrijving als zelfstandige waarnemer in het register van waarnemers van een bij het convenant betrokken belangenvereniging; - het verzekerd zijn voor aansprakelijkheid uit beroep of bedrijf; - in het bezit zijn van een fiscaal "BTW-nummer" voor de omzetbelasting; ten tijde van de totstandkoming van het convenant gold deze voorwaarde uitsluitend voor dierenartsen. De aanvullende voorwaarden betreffen: - het hebben van een particuliere verzekering tegen het risico van arbeidsongeschiktheid; - investeringen die inherent zijn aan het beroep, waaronder investeringen in vervolgopleidingen en/of bijscholingen; - jaarstukken over de laatste twee jaren; - meerdere opdrachtgevers per jaar; - redelijke omzet per jaar als zelfstandige. Aan appellante is op 11 april 1995 een zelfstandigheidsverklaring afgegeven voor de periode van 31 maart 1995 tot 1 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.