98/2691 AAW/WAO U I T S P R A K in het geding tussen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant, en [gedaagde], te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 11 maart 1997 heeft appellant de uitkeringen van gedaagde ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 7 april 1997 ingetrokken, onder overweging dat de mate van gedaagdes arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 25 respectievelijk 15% was. De Arrondissementsrechtbank te Den Haag heeft bij uitspraak van 20 februari 1998 het beroep tegen het besluit van 11 maart 1997 gegrond verklaard. Namens appellant is tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft geen verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 juni 1999, waar voor appellant is verschenen mr P. Weenink, werkzaam bij Cadans uitvoeringsinstelling B.V. Gedaagde is in persoon verschenen. Na de behandeling van het geding ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Bij brief van 26 oktober 1999 met bijlagen heeft appellant enkele door de Raad gestelde vragen beantwoord. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 mei 2000, waar appellant, met voorafgaand schriftelijk bericht, zich niet heeft laten vertegenwoordigen, terwijl gedaagde in persoon is verschenen. II. MOTIVERING Gedaagde heeft op 7 november 1987 haar werkzaamheden als schoonmaakster gestaakt wegens rugklachten. Nadat zij gedurende de maximale termijn een uitkering ingevolge de Ziektewet had ontvangen, zijn aan gedaagde met ingang van 9 november 1988 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij het bestreden besluit van 11 maart 1997 zijn de uitkeringen ingevolge de AAW en WAO met ingang van 7 april 1997 ingetrokken. Dit besluit berust op het standpunt van appellant dat gedaagde op 7 april 1997 weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de voor haar geselecteerde deeltijdfuncties van monteur koffiezetters, monteur ontvangers en modinette bedrijfskleding. Vergelijking van de mediane loonwaarde van die functies, te weten f 17,43, met het volgens appellant voor gedaagde geldende maatmaninkomen van f 15,68, resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. De rechtbank heeft het beroep tegen voormeld besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellant de medische beperkingen van gedaagde niet onjuist heeft vastgesteld en dat gedaagde gelet op haar krachten en bekwaamheden in staat is te achten de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen. De rechtbank kon zich echter niet verenigen met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij gedaagde als eiseres en appellant als verweerder is aangeduid. " Aangezien de rechtbank is gebleken dat eiseres in de verzekerde arbeidsomvang gedurende 12,5 uur per week werkzaam was en dat blijkens het FIS de functies gerangschikt zijn naar urenklassen (15 uur of minder, 16 tot en met 25 uur, 26 tot 35 uur en 35 of meer uur per week), is zij van oordeel dat verweerders rechtsvoorganger bij de selectie van passende functies primair had moeten zoeken in de urenklasse waartoe ook de maatmanfunctie behoort en niet in de urenklasse 16 tot en met 25 uur zoals thans is geschied. Blijkens het desgevraagde schrijven van verweerder van 20 januari 1998 met als bijlage de brief van de arbeidsdeskundige d.d. 19 januari 1998 komen de functies niet c.q. onvoldoende voor in het FIS voor 12,5 uur per week. Het is de rechtbank niet aannemelijk geworden dat eiseres de haar geduide functies in de verzekerde arbeidsomvang van 12,5 uur per week kan vervullen. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, omdat het een deugdelijke arbeidskundige grondslag ontbeert. Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard." Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. In hoger beroep is door appellant aangevoerd dat het voldoende wordt geacht voltijdse functies voor te houden die gedaagde de mogelijkheid bieden om die functies in deeltijd te vervullen. Het is de taak van gedaagde om met potentiële werkgevers tot overeenstemming te komen wat betreft haar arbeidsomvang. Appellant verwijst hiervoor naar vaste jurisprudentie van de Raad als gepubliceerd in RSV 1992/122 en RSV 1993/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.