98/238 AAW, 98/239 TW 98/592 AAW en 98/593 TW U I T S P R A A K in het geding tussen: [betrokkene], wonende te [woonplaats], en het Landelijk instituut sociale verzekeringen. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder het Lisv mede verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 10 oktober 1995 heeft het Lisv aan [betrokkene], voornoemd, (hierna: betrokkene) met ingang van 1 februari 1988 een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% (hierna: besluit 1). Bij besluit van eveneens 10 oktober 1995 heeft het Lisv aan betrokkene met ingang van 10 maart 1993 een toeslag op genoemde AAW-uitkering op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend (hierna: besluit 2). Bij besluit van 11 september 1996 heeft het Lisv besluit 1 in die zin herzien dat aan betrokkene met ingang van 29 december 1983 een uitkering op grond van de AAW, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, werd toegekend (hierna: besluit 3). Bij besluit van eveneens 11 september 1996 heeft het Lisv voorts besluit 2 in die zin herzien dat aan betrokkene met ingang van 1 juni 1992 een toeslag op grond van de Toeslagenwet werd toegekend (hierna: besluit 4). De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 19 november 1997 het beroep van betrokkene tegen de besluiten 1 en 2 gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd; het beroep van betrokkene tegen de besluiten 3 en 4 ongegrond verklaard; de vordering van betrokkene tot vergoeding van renteschade toegewezen, zoals onder de motivering van de uitspraak aangegeven, met veroordeling van het Lisv tot vergoeding van die schade, en bepaald dat het Lisv het door betrokkene gestorte griffierecht vergoedt. Betrokkene heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De beroepsgronden zijn bij brieven van 30 juli 1998, 17 juni 1999 en 5 mei 2000 aangevuld. Het Lisv heeft tegen deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift van 28 september 1998 aangegeven gronden hoger beroep ingesteld. Betrokkene zowel als het Lisv hebben voorts een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 augustus 2000, waar betrokkene niet is verschenen en waar het Lisv zich heeft doen vertegenwoordigen door mr P.A.L. Nieuwenhuis, werkzaam bij Gak Nederland B.V. II. MOTIVERING Voor de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Betrokkene heeft zich er in hoger beroep vooral over beklaagd dat hem niet ook een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend. Dienaangaande overweegt de Raad dat de verzekeringsgeneeskundige J.Ch. Kokenberg in zijn rapport van 14 januari 1992 heeft geconcludeerd dat betrokkene vanaf 31 december 1982 als geheel en blijvend arbeidsongeschikt is te beschouwen. De verzekeringsgeneeskundige D.C.P. Sintnicolaas heeft zich in zijn rapport van 3 oktober 1994 met deze conclusie kunnen verenigen. Gesteld noch gebleken is dat de datum 31 december 1982 als datum van intreden van de arbeidsongeschiktheid van betrokkene onjuist is. Deze datum is in feite ook in overeenstemming met hetgeen betrokkene zelf in zijn aanvraag van 29 oktober 1991 om een arbeidsongeschiktheidsuitkering terzake heeft vermeld alsook in zijn verweerschrift van 10 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.