98/4901 AOW U I T S P R A A K in het geding tussen: [A.], wonende te [B.] (Spanje), appellant, en de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij brief van 17 juni 1996 heeft gedaagde aan appellant kennis gegeven van zijn besluit geen ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aan appellant toe te kennen. Bij besluit van 7 november 1996 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 17 juni 1996 ongegrond verklaard. Nadat namens appellant beroep was ingesteld tegen het besluit van 7 november 1996 heeft gedaagde bij besluit van 8 juli 1997 met ingang van 1 december 1995 een ouderdoms-pensioen ingevolge de AOW aan appel- lant toegekend ter hoogte van 6% van het pensioen voor een gehuwde, welk besluit met toepassing van het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is betrokken in de beroepsprocedure. De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 12 mei 1998 - onder meer - de besluiten van 7 november 1996 en 8 juli 1997 vernietigd en gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellant tot een bedrag ad f 1.420,-. Namens appellant is mr C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 2 februari 2000, waar appellant, zoals schriftelijk aangekondigd, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr G.E. Eind, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank. II. MOTIVERING De Raad stelt vast dat het geding in hoger beroep beperkt is tot de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling. Het geschil betreft de vraag of de rechtbank met de vaststelling van de proceskosten in eerste aanleg op f 1.420,- een juiste toepassing heeft gegeven aan het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763, hierna: Bpb). Dienaangaande overweegt de Raad het volgende. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de brieven van de gemachtigde van appellant van 28 mei 1997 (een reactie op het verweerschrift) en 23 september 1997 (een reactie op verzoek van de rechtbank op het nadere besluit van 8 juli 1997) niet zijn te beschouwen als voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen als bedoeld in de Bijlage bij het Bpb. Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep betwist en heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet is uitgegaan van twee aparte zaken bij de vaststelling van de proceskostenveroordeling, nu het beroep betrekking heeft op twee besluiten. De Raad stelt voorop dat artikel 8:75 van de Awb betrekking heeft op de kosten gemaakt in verband met de behandeling van het beroep, welk beroep in beginsel ondeelbaar is. Nu de rechtbank het beroep op grond van artikel 6:19 van de Awb mede gericht heeft geacht tegen het besluit van 8 juli 1997 kan de door appellant voorgestane benadering, waarbij de proceskosten niet worden gerelateerd aan het ingestelde beroep als zodanig, maar aan de verschillende besluiten waarop dat beroep betrekking heeft, dan ook niet als juist worden onderschreven. Ten aanzien van de brief van 28 april 1997 merkt de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 4 november 1998, gepubliceerd in RSV 99/78, op, dat een eigener beweging ingezonden commentaar op enig gedingstuk niet kan worden beschouwd als één van de limitatief in de Bijlage bij het Bpb opgesomde proceshandelingen waarop een veroordeling in de kosten van rechtsbijstand betrekking kan hebben. Het feit dat het verweerschrift de rechtbank aanleiding had kunnen geven om een reactie aan appellant te vragen kan niet tot een ander oordeel leiden, nu een dergelijke reactie niet is gevraagd. Wat betreft de brief van 23 september 1997, merkt de Raad allereerst op dat daarbij namens appellant inhoudelijk is gereageerd op het verzoek van de rechtbank om, met het oog op de mogelijke toepassing van artikel 6:19 van de Awb, te berichten of gedaagde met het nadere besluit van 8 juli 1997 volledig tegemoet was gekomen aan het beroep van appellant en zo neen, om de grieven tegen dat besluit kenbaar te maken. Hoewel deze reactie niet kan worden aangemerkt als een schriftelijke uiteenzetting als bedoeld in artikel 8:43, eerste lid, van de Awb, noch als het geven van schriftelijke inlichtingen als bedoeld in artikel 8:45 van de Awb, is de Raad van oordeel dat deze reactie zodanige overeenkomsten vertoont met de reacties bedoeld in voornoemde artikelen dat er aanleiding is om voor de brief van 23 september 1997 een vergoeding toe te kennen analoog aan de in de Bijlage bij het Bpb genoemde vergoeding voor de hiervoor bedoelde reacties, zijnde 0,5 extra punt. Het vorenstaande leidt ertoe dat de proceskosten in eerste aanleg alsnog op f 1.775,- moeten worden vastgesteld en dat de aangevallen uitspraak in zoverre niet in stand kan blijven. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. De Raad is van oordeel dat de zaak in hoger beroep van licht gewicht is te beschouwen, waardoor het bedrag aan kosten, welke kosten zijn begroot op f 710,- voor verleende rechtsbijstand, moet worden vastgesteld met toepassing van de wegingsfactor 0,5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad vast dat gedaagde het griffierecht ad f 160,- aan appellant dient te vergoeden. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbend op de proceskostenveroordeling; Verstaat dat de proceskosten in eerste aanleg nader worden vastgesteld op f 1.775,-; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep, begroot op f 355,-; Bepaalt dat gedaagde het door appellant in hoger beroep gestorte griffierecht ad f 160,- vergoedt. Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en mr F.P. Zwart en mr T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uit-gesproken in het openbaar op 8 maart 2000. (get.) N.J. Haverkamp. (get.) J.J.B. van der Putten. IS
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.