← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8772

97/12115 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Korpsbeheerder van de politieregio X, appellant, en A, wonende te B, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Roermond op 19 november 1997, onder nummer 96/2072 AW K1 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 24 februari

  1. Appellant heeft zich daar laten vertegenwoordigen door drs A.F. Quaedvlieg, werkzaam bij de politieregio X. Voor gedaagde is verschenen mr K.I. Meijering, werkzaam bij de ACP Politiebond. II. MOTIVERING Gedaagde is sedert 1961 werkzaam in de politiedienst. Sinds de reorganisatie van de politiedienst werkt hij bij de politie regio X in de functie van inspecteur-schietinstructeur. Medio 1994 werd in de politieregio een algemeen onderzoek ingesteld naar de declaraties die werden ingediend. Dat onderzoek gaf aanleiding een nader onderzoek in te stellen naar de juistheid van gedaagdes declaraties. Op basis van een op 17 februari 1995 opgemaakt proces-verbaal rees bij appellant het vermoeden dat gedaagde zich ten koste van de politieorganisatie op onrechtmatige wijze had verrijkt door regelmatig onjuiste declaraties in te dienen. In verband daarmee heeft appellant bij brief van 7 maart 1995 aan gedaagde het voornemen tot schorsing kenbaar gemaakt. Voorts heeft appellant bij dezelfde brief, onder toepassing van artikel 84, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, gedaagde in afwachting van de schorsing met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld en hem met toepassing van artikel 73 van datzelfde Besluit de toegang tot de gebouwen en de terreinen van het korps ontzegd. Van deze buitenfunctiestelling werd intern en extern schriftelijk mededeling gedaan onder vermelding van de verdenking alsmede de leeftijd en de functie van gedaagde. Na verder onderzoek en verhoor van gedaagde bleek dat er sprake was van een persoonsverwisseling. Daarop heeft appellant bij besluit van 20 maart 1995 het voornemen tot schorsing ingetrokken en de buitenfunctiestelling en de ontzegging van de toegang met onmiddellijke ingang beëindigd. Op 24 maart 1995 werd een en ander, wederom intern en extern, bekend gemaakt. Bij brief van 25 oktober 1995 is namens gedaagde aan appellant verzocht om vergoeding van de immateriële schade die gedaagde had geleden door het volgens gedaagde onrechtmatig genomen besluit tot buitenfunctiestelling en de daarop gevolgde berichtgeving. De schade werd begroot op f 10.000,- netto. Bij besluit van 4 april 1996 heeft appellant dat verzoek afgewezen. Appellant heeft het daartegen gemaakte bewaar bij het thans in geding zijnde besluit van 21 november 1996 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het in beroep bestreden besluit van 21 november 1996 vernietigd, met bepalingen omtrent vergoeding van griffierecht en proceskosten. Voorts heeft de rechtbank, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, beslist dat appellant wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade die gedaagde heeft geleden en dat deze vergoeding wordt bepaald op, kort gezegd, f. 5.000,- netto. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat gedaagde niet kan worden tegengeworpen dat hij geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit tot buitenfunctiestelling en de daarop gevolgde berichtgeving, dat dit besluit en deze berichtgeving onrechtmatig zijn te achten, dat door een en ander een ernstige inbreuk op gedaagdes persoonlijke levenssfeer is ontstaan, zodat aanspraak bestaat op vergoeding van immateriële schade. Naar aanleiding van het hoger beroep van appellant overweegt de Raad het volgende. De Raad stelt voorop dat appellant zich terecht bevoegd heeft geacht inhoudelijk te beslissen op het verzoek van gedaagde om schadevergoeding, nu dat verzoek zijn grondslag vindt in een beweerdelijk onrechtmatig besluit van appellant alsmede in beweerdelijk onrechtmatig handelen van appellant. De Raad moet voorts constateren dat gedaagde geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit tot buitenfunctiestelling en de daarop gevolgde berichtgeving. Dit betekent dat in beginsel uitgegaan dient te worden van de rechtmatigheid van dit besluit respectievelijk deze handelingen. Zulks lijdt alleen dan uitzondering, wanneer appellant de onrechtmatigheid van het besluit en/of deze handelingen zou hebben erkend dan wel wanneer sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden, waarbij te denken valt aan de situatie dat het gedaagde niet kan worden tegengeworpen dat hij terzake geen rechtsmiddel heeft aangewend. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat gedaagde uit de brief van 20 maart 1995 en de daarop gevolgde berichtgeving niet redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat appellant de mening was toegedaan dat het besluit tot buitenfunctiestelling van 7 maart 1995 onrechtmatig was. De Raad ziet er niet aan voorbij dat appellant, toen hij er achter kwam dat sprake was van een persoonsverwisseling, de gevolgen van de buitenfunctiestelling en de daarmee samenhangende berichtgeving zoveel mogelijk ongedaan heeft gemaakt. Zo zijn, naast uiteraard het beëindigen van de buitenfunctiestelling, onder meer aan gedaagde verontschuldigingen aangeboden en is nadere interne en externe berichtgeving gevolgd, maar daarmee is nog niet gegeven dat appellant het oorspronkelijke besluit van 7 maart 1995 onrechtmatig achtte. Integendeel, uit het slot van het besluit van 20 maart 1995, luidende als volgt:"Ik kan mij voorstellen dat de afgelopen periode door u als bijzonder onplezierig is ervaren en bied u hiervoor dan ook mijn verontschuldigingen aan. De aanwijzingen inzake mogelijk frauduleus handelen welke ik medio februari 1995 ontving, waren evenwel van een dusdanige aard, dat ik in het belang van de dienst genoodzaakt was bovengenoemde maatregel van buitenfunctiestelling te nemen en het voornemen tot schorsing uit te spreken.", heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad redelijkerwijs niet anders kunnen begrijpen dan dat appellant, ook achteraf bezien, het indertijd op 7 maart 1995 genomen besluit tot buitenfunctiestelling rechtmatig achtte, zodat gedaagde, indien hij het daarmee niet eens was, alsnog toentertijd daartegen bezwaar had dienen te maken. Ook overigens is de Raad niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden, dat op grond daarvan niet uitgegaan zou mogen worden van de rechtmatigheid van het besluit van 7 maart 1995 en van de daarop gevolgde berichtgeving. En, gegeven deze rechtmatigheid, bestaat er voor appellant geen plicht tot vergoeding van schade. Uit het vorenstaande volgt dat appellant gedaagdes verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgewezen, zodat de rechtbank het in geding zijnde besluit van 21 november 1996 ten onrechte heeft vernietigd. Gelet op het vorenstaande, en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond. Aldus gewezen door mr W. van den Brink als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van A. Bach Kolling als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 april
  2. (get.) W. van den Brink. (get.) A. Bach Kolling. HD 03.04

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.