← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8840

98/6614 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: A, wonende te B, appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 27 juli 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Mr G.F.C. van den Berg, advocaat te Gouda, heeft namens appellante de gronden voor het hoger beroep aan de Raad doen toekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 16 mei 2000, waar voor appellante is verschenen mr L.C.H. Karstanje, advocaat te Gouda, terwijl voor gedaagde is verschenen E.S. Teunissen, werkzaam bij de gemeente Gouda. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellante, geboren in 1976 en afkomstig uit Turkije, woonde samen met haar echtgenoot C. in bij haar schoonouders. C. ontving een uitkering ingevolge de Ziektewet tot en met 9 juni

  1. In verband met detentie werd deze uitkering beëindigd. Appellante beschikte niet over eigen middelen en het vermogen van haar echtgenoot was negatief. Op 18 juli 1996 vroeg appellante gedaagde haar ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan bijstand te verlenen met ingang van 10 juni
  2. Op het inlichtingenformulier van dezelfde datum gaf zij op dat haar aan haar schoonouders te betalen huurlasten f 250,-- per maand bedroegen en dat zij een schuld aan haar zwager D. had van f 1.000,--. Bij primair besluit van 8 januari 1997 heeft gedaagde appellante met ingang van 10 juni 1996 bijstand toegekend naar het bedrag gelijk aan de bijstandsnorm welke voor haar als alleenstaande jonger dan 21 jaar zou gelden (f 337,53 per maand). Appellante heeft er in bezwaar onder meer op gewezen dat haar zwager namens haar naast het al genoemde woonkostenbedrag ad f 250,-- ook f 250,-- eet- en drinkgeld aan haar schoonouders betaalt en dat zij het uitgekeerde bedrag gebruikt voor andere kosten, waaronder die voor kleding en reiskosten om naar haar man te kunnen gaan. Gedaagde heeft bij besluit van 8 april 1997 het ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is het volgende overwogen: "- op grond van artikel 29 van de Algemene bijstands wet heeft u op grond van uw leeftijd recht op norm de norm voor een alleenstaande jonger dan 21 jaar; - in uw situatie was er geen noodzaak tot het verlenen van een aanvullende toeslag ingevolge artikel 10 van de Algemene bijstandswet aangezien niet was gebleken dat de noodzakelijke kosten van het bestaan meer zouden bedragen dan de voor u geldende norm; - u inwonend bent bij de ouders van haar echtgenoot en zodoende geacht wordt niet over zelfstandige woonruimte te beschikken; - ook in het bezwaarschrift worden geen omstandigheden vermeld die toepassing van genoemd artikel 10 zouden rechtvaardigen; - ook met de kosten welke worden gemaakt ten behoeve van uw echtgenoot (verblijft in detentie) kan geen rekening worden gehouden, aangezien de uitkering alleen voor de kosten van uw levensonderhoud wordt verstrekt; - uw echtgenoot is gedetineerd en heeft op grond hiervan ingevolge artikel 9, lid 1, sub a van de Algemene bijstandswet geen recht op uitkering". In beroep heeft appellante doen aanvoeren dat haar noodzakelijke kosten van het bestaan hoger zijn dan de voor haar geldende bijstandsnorm. Ter onderbouwing daarvan zijn verklaringen overgelegd van haar zwager en van haar schoonvader, waaruit naar voren komt dat de zwager vanaf 10 juni 1996 tot de 21e verjaardag van appellante f 500,-- per maand wegens woonkosten en eet- en drinkgeld voor haar heeft betaald aan haar schoonvader. Voorts is erop gewezen dat volgens het Handboek Sociale Zaken van de gemeente Gouda de noodzaak voor zelfstandige huisvesting in elk geval aanwezig wordt geacht indien de ouders van een belanghebbende in het buitenland wonen en dat zij geen beroep kan doen op haar in Turkije wonende ouders die een inkomen hebben van ongeveer f 250,-- per maand. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 8 april 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar haar oordeel heeft appellante de verschuldigdheid van de bedragen aan haar schoonouders niet ondubbelzinnig aangetoond en evenmin controleerbaar aangetoond dat zij die kosten daadwerkelijk heeft betaald. Aldus is de rechtbank niet tot het oordeel kunnen komen dat de noodzakelijke kosten van het bestaan van appellante meer bedroegen dan het voor haar geldende normbedrag. In hoger beroep is namens appellante onder meer aangevoerd dat geen onderzoek is gedaan naar de uitgaven van appellante behalve de f 250,-- aan huur. Voorts is erop gewezen dat volgens het Handboek Sociale Zaken van de gemeente Gouda (onderdeel 5.200, versie 17 december 1996) alle jongeren die voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 10 van de Algemene bijstandswet (Abw) hetzelfde - vaste - bedrag bovenop de Abw-jongerennorm ontvangen, zonder rekening te houden met de leeftijd (18, 19 of 20 jaar) of de hoogte van de individuele woonlasten. De Raad overweegt het volgende. Artikel 10 van de Abw luidt als volgt: "Een persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft slechts recht op bijzondere bijstand voor zover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat: a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of b. hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.". Aan de Nadere Memorie van Antwoord (Kamerstukken II, 1993-1994, nr. 18, blz. 90) ontleent de Raad het volgende: "In dit nieuwe artikel wordt het recht op aanvullende bijstand voor de 18- tot 21-jarige geregeld. Deze aanvullende bijstand wordt als bijzondere bijstand verleend. Zoals uit de redactie van dit artikel blijkt, is dat ook het geval als een of beide partners jonger dan 21 jaar is of als alleenstaande de zorg heeft voor een of meer kinderen. Uit de samenhang van dit artikel met de bepalingen ten aanzien van de bijzondere bijstand volgt dat voor de beantwoording van de vraag of aanvullende bijstand dient te worden verstrekt, de gemeente eerst een oordeel dient te vormen over de hoogte van de noodzakelijke bestaanskosten. Daarbij kan de gemeente onder andere in aanmerking nemen of voor de betrokkene zelfstandige huisvesting noodzakelijk is. In overeenstemming met de afstemming van de voor hen geldende landelijke normbedragen op het niveau van de kinderbijslag, wordt deze aanvullende bijstand slechts verleend voor zover de betrokkene voor die noodzakelijke bestaanskosten geen beroep op de ouders kan doen.". Mede gezien deze toelichting stelt de Raad allereerst vast dat bij de beoordeling van een aanvraag om bijstand voor de noodzakelijke bestaanskosten van een jongmeerderjarige op het bijstandsverlenend orgaan de plicht rust om zich een zo goed mogelijk beeld te vormen over de hoogte van de noodzakelijke bestaanskosten van de aanvrager en dat dit orgaan daarbij onder andere in aanmerking kan nemen of voor de aanvrager zelfstandige huisvesting wel of niet noodzakelijk is. Een gericht onderzoek naar alle van belang van zijnde omstandigheden van de aanvrager is dan ook nodig. Het zonder meer stellen van de noodzakelijke bestaanskosten van op zelfstandige huisvesting aangewezen jongmeerderjarigen op een vast bedrag, dus zonder rekening te houden met de individuele situatie, kan de Raad derhalve niet als juist aanvaarden. Op grond van de gedingstukken constateert de Raad vervolgens dat een onderzoek als vermeld ten aanzien van appellante achterwege is gebleven. Uit de stukken blijkt niet dat bij de voorbereiding van het besluit in primo aan artikel 10 van de Abw aandacht is besteed. Dit gebrek kan naar het oordeel van de Raad niet geheeld worden geacht met het bestreden besluit. Aan de mededelingen van appellante en haar familieleden in bezwaar omtrent kosten van huisvesting, eten, drinken en kleding en daarenboven nog de reiskosten die appellante maakt om haar in gevangenschap verblijvende echtgenoot te kunnen bezoeken is gedaagde zonder meer voorbijgegegaan, met als gevolg dat omtrent de gestelde kleding- en reiskosten geen enkel concreet gegeven beschikbaar is. Gelet op de wel voorhanden zijnde gegevens acht de Raad het niet onaannemelijk dat in dit geval van een situatie van kost en inwoning om niet geen sprake is geweest en dat voormelde, als noodzakelijk te beschouwen, kosten daadwerkelijk ten behoeve van appellante zijn betaald door haar zwager en/of schoonouders die ten opzichte van haar niet onderhoudsplichtig zijn of, voorzover de verleende bijstandsuitkering reikte, door haarzelf. Gelet op de thans beschikbare gegevens acht de Raad het ook niet op voorhand onaannemelijk dat het totaal van de noodzakelijke bestaanskosten van appellante op maandbasis meer hebben bedragen dan het ten tijde van de aanvraag in verband met de detentie van de echtgenoot in aanmerking te nemen normbedrag van f 337,
  3. Anders dan de rechtbank ziet de Raad ten slotte geen grond om in het kader van de toepassing van artikel 10 van de Abw te verlangen dat primaire, voor een ieder noodzakelijke bestaanskosten als eten en drinken ondubbelzinnig door middel van schriftelijke bewijzen worden aangetoond. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven. Gedaagde zal een nieuw besluit hebben te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op f 710,-- in beroep en op f 1.420,-- in hoger beroep. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit; Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante met inachtneming van deze uitspraak; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van gedaagde in beroep ad f 710,-- en in hoger beroep ad f 1.420,--, te betalen door de gemeente Gouda aan de griffier van de Raad; Gelast de gemeente Gouda aan appellante het gestorte recht van f 55,-- in beroep en f 160,-- in hoger beroep (totaal f 215,--) te vergoeden. Aldus gewezen door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr G.A.J. van den Hurk en mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juni
  4. (get.) J.G. Treffers. (get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg. HL1906

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.