← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9082

98/6708 NABW U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Als gemachtigde van appellante heeft mr I.A.M. Bomans, verbonden aan het Buro voor Rechtshulp te Rotterdam, op de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam op 27 juli 1998 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop hij bij brief van 22 maart 1999 (met bijlagen) een aanvulling heeft gegeven. Appellantes gemachtigde, mr Bomans voornoemd, heeft bij brief van 7 september 2000 nog stukken in het geding gebracht. Het geding is behandeld ter zitting van 19 september 2000, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Bomans meergenoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr A.Th.A.M. Schouw, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet (Abw) en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet (Iw) in werking getreden. Aan de gedingstukken en het ter zitting verhandelde ontleent de Raad het volgende. Appellante was ten tijde hier van belang in deeltijd werkzaam. In aanvulling op haar inkomsten uit arbeid ontving zij een uitkering ingevolge de ABW, berekend naar de norm voor een één-ouder gezin. Gedaagde heeft appellante over de periode van februari 1995 tot en met november 1995 bijzondere bijstand verleend in buitengewone verwervingskosten, zijnde de kosten van particuliere opvang van haar in 1986 geboren dochter C. In december 1995 is aan appellante telefonisch medegedeeld dat zij zich moet aanmelden voor gesubsidieerde kinderopvang. Op de aanvraag d.d. 29 maart 1996 om bijzondere bijstand in de kosten van particuliere kinderopvang over de periode van december 1995 tot en met maart 1996 heeft gedaagde vervolgens bij besluit van 13 juni 1996 afwijzend beslist op de grond dat appellante weigert zich bij een gesubsidieerde instelling in te laten schrijven. Na gemaakt bezwaar heeft gedaagde bij zijn besluit van 17 juni 1997 appellante alsnog bijzondere bijstand verleend in de kosten van particuliere kinderopvang over de periode van december 1995 tot en met augustus

  1. Met toepassing van artikel 17 van de Algemene bijstandswet (Abw) heeft gedaagde voor het overige de bezwaren van appellante tegen het besluit van 13 juni 1996 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 17 juni 1997 ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat appellante ten tijde van belang een beroep had kunnen doen op gesubsidieerde kinderopvang zodat artikel 17, eerste lid, van de Abw in beginsel aan het verlenen van bijstand in de kosten van particuliere kinderopvang in de weg stond. Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen gebruik te maken van de hem krachtens artikel 17, vierde lid, oud, van de Abw toekomende bevoegdheid om appellante in afwijking van artikel 17, eerste lid, van de Abw bijzondere bijstand in de onderwerpelijke kosten te verlenen. Appellante heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Zij heeft betoogd dat zij in verband met de bestaande wachtlijsten na augustus 1996 niet daadwerkelijk een beroep op gesubsidieerde kinderopvang kon doen. Voorts heeft zij gesteld dat haar dochter moeilijk opvoedbaar is zodat van haar in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij zich inschrijft voor gesubsidieerde kinderopvang. De Raad ziet zich allereerst gesteld voor de vraag welk recht in casu van toepassing is en overweegt ter zake als volgt. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Iw blijft de ABW gedurende ten hoogste 12 maanden na de inwerkingtreding van de Abw van toepassing ten aanzien van degene die in de peilmaand recht had op algemene bijstand en wiens recht op de peildag niet is geëindigd. Het tweede lid onder a, van genoemd artikel bepaalt, voorzover hier van belang, dat de in het eerste lid bedoelde toepassing van de ABW eindigt zodra burgemeester en wethouders in het betreffende geval naar aanleiding van het onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Iw een nieuw besluit hebben getroffen. Vast staat dat appellante in de peilmaand - december 1995 - en op de peildag - 31 december 1995 - recht had op algemene bijstand ingevolge de ABW. Naar uit de gedingstukken blijkt, had gedaagde ten tijde als hier van belang nog geen onderzoek als bedoeld in artikel 5 van de Iw ingesteld zodat de in het eerste lid van artikel 4 van de Iw bedoelde toepassing van de ABW ten aanzien van appellante nog niet was beëindigd. Gedaagde heeft zijn onderwerpelijke besluit dan ook ten onrechte op de Abw gebaseerd en de rechtbank is ten onrechte uitgegaan van de juistheid van de toepassing van de Abw. Dit betekent dat zowel gedaagdes besluit als de aangevallen uitspraak wegens strijd met de wet dienen te worden vernietigd. De Raad acht echter op grond van de hierna volgende overwegingen termen aanwezig om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand te laten. De Raad stelt vast dat gedaagde in het bestreden besluit tot uitgangspunt heeft genomen dat appellante een beroep had moeten doen op een voorliggende voorziening: de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang opvang voor alleenstaande ouders 1996, welke voorziet in gesubsidieerde kinderopvang. Op grond van de stukken staat echter vast dat appellante ten gevolge van de bestaande wachtlijsten op en na 1 september 1996 geen daadwerkelijk beroep op gesubsidieerde kinderopvang kon doen zodat genoemde regeling niet als een voorliggende voorziening in de zin van artikel 1a, eerste lid, van de ABW (de met artikel 17, eerste lid, van de Abw overeenkomende bepaling) kon worden aangemerkt. Dit betekent dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. Zoals hij blijkens zijn verweerschrift inmiddels heeft onderkend, kon gedaagde de onderwerpelijke bijzondere bijstand wel weigeren op grond van artikel 3, tweede lid, van de ABW, in verbinding met het vijfde lid van die bepaling. Ingevolge het eerstvermelde artikellid kunnen aan de bijstand voorwaarden worden verbonden die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand dan wel strekken tot zijn vermindering of beëindiging. Gedaagde was derhalve gerechtigd om aan de verlening van de onderwerpelijke bijzondere bijstand de voorwaarde te verbinden dat appellante zich zou inschrijven voor gesubsidieerde kinderopvang. Nu appellante die voorwaarde niet wenste te accepteren, kon gedaagde naar het oordeel van de Raad in redelijkheid en zonder in strijd te handelen met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel de bijzondere bijstand in de kosten van particuliere kinderopvang weigeren. De Raad heeft daarbij laten wegen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat gesubsidieerde kinderopvang voor haar dochter geen adequate voorziening was, terwijl zij door haar weigering zich daarvoor in te schrijven heeft belemmerd dat de daartoe aangewezen instantie zich ter zake een oordeel kon vormen. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- voor in beroep en op f 1.420,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand. Beslist wordt als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het inleidende beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot f 2.840,-, te betalen door de gemeente Rotterdam aan de griffier van de Raad; Gelast de gemeente Rotterdam aan appellante het gestorte griffierecht van f 55,-- in beroep en f 160,-- in hoger beroep (in totaal f 215,--) te vergoeden. Aldus gewezen door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr drs N.J. van Vulpen-Grootjams als leden, in tegenwoordigheid van mr P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober
  2. (get.) J.G. Treffers. (get.) P.C. de Wit. AB

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.