00/5711 WAO-VV U I T S P R A A K VAN DE PRESIDENT VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP inzake een verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen: A, wonende te B, verzoeker, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I. INLEIDING Bij besluit van 6 september 2000 heeft gedaagde het bezwaar van verzoeker tegen gedaagdes besluit van 29 mei 2000, waarbij de aan verzoeker toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingaande 1 juni 2000 is ingetrokken, ongegrond verklaard. De president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen heeft bij uitspraak van 26 oktober 2000 het tegen het besluit van 6 september 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Namens verzoeker heeft mr S.A. Roodhof, advocaat te Leeuwarden, op bij beroepschrift -met bijlagen- aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Tevens heeft mr Roodhof bij brief van 13 november 2000 verzocht een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het verzoek is, tesamen met een soortgelijk verzoek, behandeld ter zitting, gehouden op 20 december 2000, waar voor verzoeker is verschenen mr B. Korvemaker, advocaat te Leeuwarden, en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen. II. MOTIVERING Ingevolge het bepaalde in de artikelen 18 en 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de president van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de president van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij kan de president tevens in de afweging betrekken in hoeverre er naar zijn oordeel een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat omtrent de vraag of de aangevallen uitspraak dan wel het bestreden besluit in het bodemgeschil al of niet in stand zullen blijven. Voor zover toetsing meebrengt dat het geschil in de bodem-procedure wordt beoordeeld heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure. Overwogen wordt als volgt. Verzoeker, die al geruime tijd in de Dr S. van Mesdag-kliniek te Groningen verblijft in het kader van een ter beschikking stelling (tbs) als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht (Sr), heeft vanaf 8 juli 1981 een uitkering ingevolge de WAO ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op deze uitkering werd laatstelijk een eigen bijdrage op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) ingehouden. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 29 mei 2000 heeft gedaagde deze uitkering ingaande 1 juni 2000 inge-trokken, op grond van het bepaalde in de Wet sociale zeker-heidsrechten gedetineerden van 22 december 1999, Stb. 595 (Wsg), omdat verzoeker gedetineerd is en zijn detentie langer duurt dan één maand. De president van de rechtbank heeft het beroep van ver-zoeker ongegrond verklaard, overwegende dat gedaagde terecht heeft geoordeeld dat uit het bepaalde in artikel 43, vijfde lid, van de WAO in samenhang met artikel XV van de Wsg volgt dat verzoeker ingaande 1 juni 2000 geen recht heeft op een WAO-uitkering en dat de situatie waarin verzoeker verkeert niet is genoemd in artikel 47b, vierde lid van de WAO. Voorts is overwogen dat er evenmin aanleiding bestaat om de in laatstgenoemd artikel genoemde situaties analoog toe te passen, nu de daar genoemde afwijkingen van artikel 43, vijfde lid, van de WAO limitatief zijn en verzoeker niet verkeert in een situatie waarin de Staat zijn kosten van levensonderhoud niet meer draagt. Bij verzoekschrift van 13 november 2000 heeft verzoeker de president verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat gedaagde aan verzoeker een voorlopige uitkering verstrekt. Ter onderbouwing van het verzoek is betoogd dat verzoeker sedert 1 juni 2000 in een financiële noodsituatie verkeert, aangezien hij slechts een zak- en kleedgeld van circa f 400,- per maand ontvangt, terwijl hij in het kader van zijn resocialisatie-traject veel meer kosten moet maken. Voorts heeft verzoeker erop gewezen dat hij één dag per week buiten de kliniek verblijft in verband met studie en dat hij verder veel bij zijn partner en kinderen mag verblijven, zodat de feitelijke situatie waarin hij ver-keert niet veel afwijkt van het proefverlof. Ter zitting is verder nog aangevoerd dat de situatie van verzoeker niet wezenlijk verschilt van gedwongen plaatsingen als bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) en in artikel 37, eerste lid, Sr, in welke gevallen de WAO-uitkering niet wordt ingetrokken, zodat sprake is van een schending van het gelijkheids-beginsel. Ten slotte is ter zitting namens verzoeker mede-gedeeld dat aan het verzoek om een voorlopige voorziening niet een beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentale vrijheden ten grondslag ligt, aan-gezien dat argument zich meer leent voor een behandeling in de bodemprocedure. Op 1 mei 2000 is de Wsg in werking getreden, strekkende tot wijziging van onder meer de WAO, in verband met het uitsluiten van het recht op een sociale verzekeringsuitkering bij vrijheidsontneming binnen een justitiële inrichting. Ingevolge deze wet is, onder meer, aan artikel 43 van de WAO een vijfde lid toegevoegd, waarin is bepaald dat de WAO-uitkering wordt ingetrokken indien degene die recht heeft op die uitkering rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Blijkens het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder k, van de WAO zijn slechts plaatsingen op grond van de Wet Bopz en artikel 37, eerste lid, Sr, uitgezonderd van het begrip "rechtens zijn vrijheid is ontnomen". Voorts is sindsdien in artikel 47b van de WAO bepaald dat de persoon wiens WAO-uitkering op grond van artikel 43, vijfde lid, WAO is ingetrokken, vanaf de dag waarop hij in vrijheid wordt gesteld weer recht heeft op WAO-uitkering indien hij dan nog arbeidsongeschikt is. Zulks geldt, op grond van het vierde lid van dit artikel, evenzeer voor nader aan te wijzen categorieën personen waarbij de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt. Als zodanige categorieën zijn in het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid van 28 januari 2000 (Stb. 53), aangewezen, degenen die:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.