97/1510 MAWKLU-S U I T S P R A A K in het geding tussen: [A], wonende te [B], appellant, en de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage van 28 november 1995, nr. 93/1070 MAWKLU. Bij die uitspraak was beslist op het namens appellant ingestelde beroep tegen een besluit van gedaagde van 11 augustus 1993, inhoudende een weigering om het verzoek van appellant van 3 augustus 1988 hem te benoemen tot officier voor speciale diensten (OSD) te honoreren, nadat een eerdere weigering van 17 oktober 1988 op dit verzoek door de Raad bij uitspraak van 19 november 1992, nr. MAW 1990/86-90, nietig was verklaard. Dit hoger beroep was beperkt tot het onderdeel van de uitspraak van de rechtbank waarbij was bepaald dat de rechtsgevolgen van het bij die uitspraak vernietigde besluit van gedaagde van 11 augustus 1993 in stand blijven. Appellant heeft eveneens hoger beroep ingesteld tegen de (vervolg) uitspraak van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage van 7 januari 1997, eveneens genummerd 93/1070 MAWKLU, gegeven na toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarbij de rechtbank gedaagde heeft veroordeeld tot vergoeding van de door appellant geleden (immateriële) schade tot een bedrag van f 25.000,-, te vermeerderen met het bedrag dat appellant blijkens vaststelling door de bevoegde autoriteiten ter zake daarvan over het jaar van uitbetaling van genoemd bedrag aan belasting verschuldigd zal zijn onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Minister van Defensie) als rechtspersoon die deze schade aan appellant dient te vergoeden, en appellants verzoek om schadevergoeding voor het overige heeft afgewezen. Na de behandeling van beide gedingen ter zitting van 26 maart 1998 heeft de Raad bij uitspraak van 7 mei 1998, nrs. 96/1268 MAW en 97/1510 MAW, de aangevallen uitspraak van 28 november 1995 bevestigd, de aangevallen uitspraak van 7 januari 1997 vernietigd voorzover daarbij afwijzend is beslist op appellants verzoek om materiële schadevergoeding en bepaald dat ter voorbereiding van een nadere uitspraak ter vaststelling van deze door gedaagde aan appellant op grond van artikel 8:73 van de Awb te betalen schadevergoeding het onderzoek wordt heropend. Voor het overige is deze uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten, bevestigd. De stukken zijn voor het nader onderzoek in handen van de voorzitter gesteld. Nadat partijen over en weer hun standpunten schriftelijk hebben toegelicht, is de behandeling van het geding voortgezet op 2 maart 2000, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. D.W.F. van der Schilden te Alphen aan den Rijn en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Arnold, werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend. Van de zijde van appellant is nog een besluit van gedaagde van 28 april 2000 aan de Raad gezonden. Dienaangaande is nog enige correspondentie door partijen gevoerd, waarna de Raad aan partijen heeft medegedeeld dat dit besluit niet in de onderhavige procedure zal worden betrokken. Partijen hebben vervolgens toestemming verleend om een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten. II. MOTIVERING Bij genoemde uitspraak van de rechtbank van 28 november 1995 is het in beroep bestreden besluit van gedaagde van 11 augustus 1993, waarbij opnieuw afwijzend is beslist op appellants verzoek tot benoeming tot OSD, thans op grond dat reeds was voorzien in de behoefte aan OSD voor 1988 wat betreft het functiegebied jachtvliegers, vernietigd. Hierbij is overwogen dat de gehanteerde weigeringsgrond niet te verenigen is met de in het door de Raad vernietigde besluit van 17 oktober 1988 getoonde bereidheid om appellant tot OSD te benoemen mits hij zou voldoen aan de restitutieverplichting zoals die vóór 1 augustus 1988 bestond. De Raad heeft in de uitspraak van 7 mei 1998 dit oordeel van de rechtbank onderschreven en voorts overwogen dat gedaagde er niet in is geslaagd de weigering appellant tot OSD te benoemen van een deugdelijke motivering te voorzien en dat dit met zich meebrengt dat gedaagde naar aanleiding van appellants verzoek van 3 augustus 1988 tot aanstelling van appellant als OSD had behoren over te gaan. Nu appellant er verder naar het oordeel van de Raad niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat terugkeer in gedaagdes organisatie c.q. aanstelling in de verlangde OSD-functie nog als een reële mogelijkheid moest worden gezien, heeft de Raad de rechtbank eveneens gevolgd in het oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand dienen te blijven. De in de uitspraak van de rechtbank van 7 januari 1997 vervatte weigering om appellant met toepassing van artikel 8:73 van de Awb enige vergoeding toe te kennen voor door hem geleden materiële schade heeft de Raad bij genoemde uitspraak van 7 mei 1998 niet in stand gelaten. Hierbij heeft de Raad overwogen dat de weigering om appellant op diens verzoek van 3 augustus 1988 aan te stellen tot OSD zonder daartoe een adequate motivering naar voren te kunnen brengen, bezien naar de omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het nemen van het besluit en het toen geldende rechtsregime, onrechtmatig was. De Raad heeft hierbij uitdrukkelijk vastgesteld dat appellant naar aanleiding van zijn verzoek in 1988 benoemd had moeten worden tot OSD en dat gedaagde dan ook gehouden is de schade te vergoeden die het gevolg is van de weigering om appellant naar aanleiding van diens verzoek van 3 augustus 1988 als OSD aan te stellen. De Raad overweegt hierbij dat volgens vaste jurisprudentie voor vergoeding slechts in aanmerking kan komen schade die in zodanig verband staat met die weigering dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van die weigering aan gedaagde kan worden toegerekend. Appellant heeft in hoger beroep - na correctie van zijn vordering bij schrijven van 15 februari 2000 - in verband met materiële schade van gedaagde gevorderd: -het verschil tussen hetgeen aan inkomsten zou zijn genoten in werkelijke dienst tot de leeftijd van functioneel leeftijdsontslag (55 jaar), tijdens de UKW-periode (55-65 jaar) en tijdens zijn militair pensioen enerzijds en anderzijds hetgeen hij sinds 1 december 1988 tot 1 december 1998 daadwerkelijk aan inkomsten heeft genoten. Voor de periode december 1988-december 1998 beloopt zijn vordering incl. rente f 603.062,-. Voor de periode na 1 januari 1999 f 2.638.137,-. Laatstgenoemd bedrag dient direct uitgekeerd te worden aan Levensverzekeringsmaatschappij Stad Rotterdam ter vestiging van een lijfrente tegen koopsom (pensioen incl. weduwen- en wezenpensioen) met een levenslange jaarlijkse uitkering welke over de gehele uitkeringsperiode gelijk is aan het jaarsalaris dat betrokkene zou hebben gehad in het jaar 1998 (zijnde f 154.745,-) en waarbij rekening is gehouden met reeds opgebouwde pensioenrechten. Als alternatief, ter keuze van gedaagde, heeft appellant voor de periode na 1 januari 1999 gevorderd dat gedaagde zelf zorgdraagt voor een pensioen over die periode naar analogie van de regelgeving omtrent pensionering van militairen, welke methode volgens appellant voor gedaagde een investering zou vergen van f 3.203.609,-. Voorts heeft appellant gevorderd schade inzake gemaakte kosten voor juridische bijstand gedurende de periode april 1987 tot februari 2000 ten bedrage van f. 40.500,- en schade inzake niet uitbetaalde verlofdagen ten bedrage van f 81.910,-. De totale materiële schade is per saldo becijferd op (tenminste) f 3.380.197,-. Gedaagde heeft deze schadevordering betwist. Hij heeft zich primair op het standpunt gesteld dat appellant er zelf voor heeft gekozen om de Koninklijke Luchtmacht te verlaten en bij [X.] in dienst te treden, zodat de na het ontslag bij [X.] plaatsgevonden inkomensachteruitgang niet in causaal verband staat met het onrechtmatige besluit om appellant niet tot OSD te benoemen. Subsidiair heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat, als appellant al schade zou hebben geleden, van hem verwacht had kunnen worden dat hij na zijn dienstverlating een inkomen zou zijn gaan verwerven dat tenminste gelijk was aan het inkomen dat hij bij gedaagde zou hebben verdiend. De schade die appellant thans opvoert was in 1988 redelijkerwijs niet voorzienbaar voor gedaagde. Appellant heeft er volgens gedaagde eveneens onvoldoende aan gedaan om de overstap naar de civiele luchtvaart te kunnen maken. Gedaagde heeft er daarnaast op gewezen dat appellant op 55-jarige leeftijd de actieve dienst had moeten verlaten, met als gevolg een forse inkomensachteruitgang, terwijl hij elders had kunnen blijven werken tot 65 jaar. Ten aanzien van de gespecificeerde opgave van de door appellant geclaimde schade heeft gedaagde aangevoerd dat appellant ten onrechte de kerstgratificatie die hij tijdens zijn dienstverband met [X.] heeft ontvangen ten bedrage van 6% over het jaarsalaris buiten de berekening heeft gelaten, evenals de fiscale bijtelling voor de auto van de zaak en de tegemoetkoming in de premie voor een ziektekostenverzekering. Gedaagde heeft becijferd dat het verschil tussen het inkomen bij [X.] en bij gedaagde over de periode tot 1 april 1994 slechts f 1.344,- bedraagt, zelfs nog zonder medeneming van de tegemoetkoming in de ziektekostenpremie. Omdat er aldus geen sprake is van inkomensverschil is er ook geen rente verschuldigd volgens gedaagde. Wat betreft de gevorderde schadevergoeding over de periode vanaf 1 april 1994, ook over de periode van functioneel leeftijdsontslag en ouderdomspensioen, heeft gedaagde aangevoerd dat deze schade in 1988 niet voorzienbaar was en bovendien door appellant had kunnen worden voorkomen. Appellant is nog immer verplicht om zijn schade te beperken door zich op de arbeidsmarkt te begeven, zodat er voor een per 1 januari 1998 ingaand pensioen zoals door appellant gevorderd in het geheel geen plaats is. Ten aanzien van de kosten voor verleende juridische bijstand heeft gedaagde aangevoerd dat er geen sprake is geweest van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voorts heeft appellant ten onrechte rechtsbijstandkosten voor andere gedingen gevorderd, waarin hij of in het ongelijk is gesteld dan wel waarin een proceskostenveroordeling heeft plaatsgevonden. De vergoeding van kosten voor rechtsbijstand dient volgens gedaagde beperkt te blijven tot de kosten die de Raad nog moet vaststellen in het kader van de onderhavige procedure. Ten aanzien van de vordering met betrekking tot de niet opgenomen verlofdagen heeft gedaagde aangevoerd dat de Raad de weigering om deze verlofdagen uit te betalen al in 1996 in stand heeft gelaten. Tenslotte heeft appellant volgens gedaagde geen pensioenschade geleden omdat hij bij [X.] 2% pensioen per jaar opbouwde, zodat hij na 1988 nog steeds een volledig pensioen had kunnen opbouwen. De Raad overweegt het volgende. Aangezien voor de Raad is komen vast te staan dat appellant zich pas na de weigering van gedaagde hem als OSD te benoemen heeft verbonden in dienst te treden bij [X.] en gedaagde voorts inmiddels heeft erkend dat appellant bij benoeming tot OSD in 1988 zou zijn aangesteld in vaste dienst voor onbepaalde tijd, kan de Raad de stelling van gedaagde dat er in het geheel geen schade is voortgevloeid uit het onrechtmatige besluit of dat een eventuele schadevergoeding beperkt zou kunnen blijven tot een periode van 6 jaren na 1 december 1988 niet onderschrijven. Een en ander brengt in deze zaak mee dat in beginsel, behoudens correctie op grond van schending van de verplichting tot schadebeperking, voor vergoeding in aanmerking komt het verschil tussen enerzijds het inkomen (salaris, uitkering en pensioen) dat appellant (naar schatting) zou hebben genoten, indien hij wel overeenkomstig zijn voormeld verzoek als OSD zou zijn aangesteld, en anderzijds het inkomen dat hij na de weigering heeft genoten of zal genieten. De hiervoor vermelde van de zijde van appellant gevorderde vergoeding betreft compensatie van door appellant geleden en nog te lijden salaris-, uitkerings- en pensioenschade, waarbij de salaris- en uitkeringsschade is berekend over de gehele periode vanaf de datum waarop appellant benoemd zou zijn tot OSD in 1988 tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. Appellant is er daarbij van uitgegaan dat appellant na zijn benoeming tot OSD in 1991 zou zijn bevorderd tot majoor, dat hij tot zijn functioneel leeftijdsontslag op 55-jarige leeftijd in dienst van gedaagde zou zijn gebleven, waarna hij een uitkering krachtens de Uitkeringswet gewezen militairen (UKW) zou zijn gaan genieten tot zijn 65e jaar en aansluitend een pensioenuitkering. Hiernaast is vergoeding van kosten voor juridische bijstand en van schade door niet-uitbetaling van verlofdagen gevorderd. In totaal beloopt de gevorderde schadevergoeding een bedrag van f 3.380.197,-. De Raad stelt, uitgaande van de hiervoor geformuleerde uitgangspunten en de standpunten van partijen, de schade als volgt vast. Hierbij gaat de Raad er van uit dat appellant bij benoeming tot OSD in 1988 per 1 januari 1991 zou zijn bevorderd tot majoor (zoals ook van de zijde van gedaagde is bevestigd) en dat hij tot het functioneel leeftijdsontslag op zijn 55e jaar in dienst zou zijn gebleven bij gedaagde. Inkomensschade over de periode van 1 december 1988 tot 1 april 1994 Gedurende deze periode heeft appellant in een volledig dienstverband bij een opleidingsinstituut ([X.]) de functie van instructeur-vlieger vervuld en daaruit salaris ontvangen. Nu appellant door het gaan vervullen van deze passende functie, direct aansluitend aan zijn dienstverband bij gedaagde, in deze periode zijn inkomensschade zo veel mogelijk heeft beperkt, acht de Raad de resterende inkomensschade in die periode ten volle toewijsbaar. Ten aanzien van de inkomensschade in genoemde periode is van de zijde van appellant een berekening overgelegd van het inkomen dat hij in dienst van gedaagde zou hebben verdiend, die op een aantal punten door gedaagde is gecorrigeerd. Hierop is van de zijde van appellant een gecorrigeerde berekening overgelegd, waarop namens gedaagde ter zitting nader is gereageerd. De Raad volgt de berekening van appellant in de brief van 15 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.