97/5990 + 01/490 AAW/WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [A.], wonende te [B.], appellant, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 16 november 1995 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde de aan appellant toegekende uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van 8 januari 1996 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij uitspraak van 27 juni 1997 heeft de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld op door zijn toenmalige gemachtigde mr. W.M. Heuveling, destijds advocaat te Leeuwarden, bij beroepschrift d.d. 7 juli 1997 aangevoerde gronden. Gedaagde heeft op 9 december 1997 een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft gedaagde bij schrijven van 27 april 2000 een afschrift van de medische kaart, betrekking hebbende op appellants ziekmelding van 9 januari 1995, ingezonden. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 juli 2000, waar partijen niet zijn verschenen. Na deze zitting heeft de Raad het onderzoek heropend ten einde gedaagde enige vragen betreffende de toepasselijkheid van de Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie (Wet Amber) te stellen. Gedaagde heeft deze vraagstelling bij brief van 26 oktober 2000, met bijlagen, beantwoord. Gedaagde heeft daarbij een nader besluit van 26 oktober 2000 overgelegd (hierna: besluit 2), waarbij appellants uitkeringen met toepassing van de Wet Amber alsnog met ingang van 29 december 1995 zijn herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het geding is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 maart 2001, waar partijen wederom niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Gedaagde acht de ingangsdatum van herziening van appellants uitkeringen als vervat in besluit 1 niet langer juist, in verband waarmee gedaagde besluit 1 heeft vervangen door besluit 2, waarin die ingangsdatum nader is bepaald op 29 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.