98/6629 AAW/WAO, 98/6632 AAW/WAO, 98/6634 AAW/WAO, 98/6637 AAW/WAO, 98/6638 AAW/WAO en 98/6639 AAW/WAO U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [A.], wonende te [B.], appellant, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 6 februari 1997 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat hij in de periode van 22 april 1996 tot 4 november 1996 wegens wisselende inkomsten uit arbeid in wisselende mate arbeidsongeschikt is, dat appellant blijft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%, maar dat aan hem over de in dat besluit genoemde tijdvakken in verband met door appellant genoten inkomsten uit arbeid uitkering krachtens de Wet op de arbeidsonge- schiktheidsverzekering (WAO) bruto per uitkeringsdag wordt uitbetaald naar de bij die tijdvakken vermelde mate van arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 24 februari 1997 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde van appellant teruggevorderd primair een bedrag van f 4.254,28 bruto (inclusief overhevelingstoeslag) aan over de periode van 22 april tot 1 augustus 1996 onverschuldigd betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering op de grond dat door toedoen van appellant onverschuldigd is betaald, en subsidiair een bedrag van f 2.748,71 netto (inclusief de werknemersdelen van de sociale verzekerings- en ziekenfondspremies en/of de vereveningsbijdrage AAW) aan over voornoemde periode betaalde arbeidsongeschikt- heidsuitkering op de grond dat appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat gedaagde onverschuldigd betaalde. Bij besluit van 25 februari 1997 (hierna: besluit 3) heeft gedaagde van appellant teruggevorderd een bedrag van f 2.176,13 bruto (inclusief overhevelingstoeslag) aan over de periode van 1 augustus 1996 tot 4 november 1997 onverschuldigd betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering. Bij besluit van 26 februari 1997 (hierna: besluit 4) heeft gedaagde appellant over de periode van 1 april 1997 tot 22 juli 1997 de sanctie opgelegd van een korting van 30% op de aan appellant uit te betalen uitkering krachtens de WAO. Bij besluit van 17 maart 1997 (hierna: besluit 5) heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat het terug te vorderen bedrag van in totaal f 5.695,34 in 12 maandelijkse termijnen van f 50,- met zijn lopende uitkering zal worden verrekend, waarna de dan nog resterende vordering door appellant vanuit zijn vermogen zal moeten worden voldaan. Bij besluit van 18 maart 1997 (hierna: besluit 6) heeft gedaagde aan appellant een boete opgelegd van f 600,- in verband met schending van de mededelingsverplichting. De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 30 juli 1998 het beroep tegen deze zes besluiten ongegrond verklaard. Namens appellant is mr. P.C.J. Isaak, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 27 juni 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Bogaart, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, en waar - met voorafgaand bericht - namens gedaagde niemand is verschenen. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Aan appellant zijn met ingang van 9 juni 1987 uitkeringen toegekend krachtens de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Naar blijkt uit de gedingstukken heeft [X.] B.V. in april 1996 aan gedaagde meegedeeld dat appellant met ingang van 3 april 1996 bij haar in dienst is getreden als chauffeur op afroep. Naar aanleiding van een verzoek van appellant om informatie over de hoogte van het bedrag dat hij mocht bijverdienen heeft gedaagde appellant bij brief van 23 september 1996 meegedeeld dat bijverdiensten van meer dan f 865,- bruto per maand (inclusief alle loonelementen, exclusief vakantietoeslag) kunnen leiden tot korting op of verlaging van zijn arbeids- ongeschiktheidsuitkering. Voorts is in deze brief vermeld dat de definitieve beoordeling van de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering pas zal plaatsvinden na ontvangst van een opgave van de verdiensten van appellant. Bovendien is in deze brief vermeld dat appellant zijn verdiensten of een wijziging daarin onmiddellijk aan gedaagde moet doorgeven. Bij brief van 9 oktober 1996 heeft de werkgever van appellant afschriften van de loonstroken van appellant over de periode 22 april tot 2 november 1996 aan gedaagde gezonden. Uit interne correspondentie van 14 oktober 1996 blijkt dat gedaagdes opsporingsdienst jegens appellant een opsporingsonderzoek heeft ingesteld wegens verdenking van werknemersfraude. Appellant is met de bevindingen van de opsporingsambtenaar geconfronteerd en heeft daarop bij brief van 30 november 1996 gereageerd. Op 5 december 1996 heeft gedaagde van appellant een inlichtingenformulier retour ontvangen waarin appellant onder meer vermeldt dat hij sedert april 1996 werkzaamheden verricht als chauffeur op afroep. Op 10 december 1996 heeft de opsporingsdienst van gedaagde aan het kantoor Alkmaar van GAK Nederland B.V. ten aanzien van appellant gerapporteerd. Bij brief van 21 januari 1997 is appellant onder meer meegedeeld dat onverschuldigd betaalde uitkering van hem zal worden teruggevorderd, waarna gedaagde de bestreden besluiten heeft genomen. Namens appellant is in beroep aangevoerd dat de bestreden besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid en op die grond dienen te worden vernietigd. Appellant meent dat de rechtbank geen, althans onvoldoende aandacht heeft besteed aan de brief van 23 september 1996 van gedaagde, waaruit appellant afleidt dat verdiensten tot f 865,- bruto per maand niet tot korting of verlaging van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering zullen leiden. Appellant stelt dat hij trouw de inlichtingenformulieren invulde en dat gedaagde hem sinds jaar en dag toestond aan het einde van het jaar de bijverdiensten op te geven. Na ommekomst van het jaar werd het totaalbedrag aan verworven inkomsten verdeeld over het aantal werkdagen in een heel jaar. Gezien de hoogte van de inkomsten trad geen wijziging in het arbeidsongeschiktheidspercentage op. Voorts heeft appellant benadrukt dat hij, hoewel hij dit niet kan aantonen, met zekerheid gedaagde bij brief van 6 april 1996 op de hoogte heeft gebracht van zijn werkzaamheden. De Raad overweegt als volgt. Besluit 1 De rechtbank heeft appellants beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat onweersproken vast staat dat appellant gedurende de in dit besluit vermelde periodes de aldaar aangegeven inkomsten uit arbeid heeft genoten, dat de korting door gedaagde terecht is berekend over periodes van vier weken, dat van een vrijlating van f 865,- per maand als door appellant voorgestaan gelet op de wettelijke regeling terzake geen sprake kan zijn, dat duidelijk uit de brief van gedaagde van 23 september 1996 blijkt dat de totale verdiensten per periode inclusief de f 865,- per maand in aanmerking worden genomen bij de berekening van de korting en dat ook de niet nader onderbouwde stelling van appellant dat gedaagde vroeger altijd na ommekomst van een kalenderjaar verrekende niet kan worden gevolgd. De Raad ziet in hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd, geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De Raad tekent hierbij nog aan dat uit het gegeven dat appellant eerder ermee heeft volstaan gedaagde bij het jaarlijks aan het einde van het jaar in te leveren inlichtingenformulier te informeren over de hoogte van zijn (toen overigens geringe) bijverdiensten en gedaagde daarin kennelijk geen aanleiding had gevonden appellants arbeidsongeschiktheidsuitkeringen naar een lager bedrag uit te betalen, niet kan worden afgeleid dat sprake was van een door gedaagde willens en wetens aanvaarde gedragslijn waarbij ten aanzien van appellant verrekening van bijverdiensten aan het einde van het jaar op jaarbasis werd toegestaan. De Raad ziet dan ook niet dat besluit 1 wegens de door de appellant gestelde strijd met het vertrouwensbeginsel dient te worden vernietigd. De Raad is evenmin tot de conclusie kunnen komen dat besluit 1 onzorgvuldig is voorbereid. Het hoger beroep kan dan ook in zoverre niet slagen en de uitspraak van de rechtbank voorzover deze betrekking heeft op besluit 1 komt derhalve voor bevestiging in aanmerking. Besluiten 2 en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.