99/4203 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [B.], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [B.], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 9 juli 1999, nr. 1999/118 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Namens appellante is een nader stuk ingezonden. Namens gedaagde is een vraag van de Raad beantwoord. Het geding is behandeld ter zitting van 18 oktober 2001, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. B. Cornelissen, advocaat te Haarlem. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.W.H. Buiting, werkzaam bij Van Kleef & Partners te Boskoop, en door [werknemer], werkzaam bij gedaagde. II. MOTIVERING 1. Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven feitenoverzicht volstaat de Raad met het navolgende. 1.1. Appellante, geboren in 1954, werkzaam van 1971 tot 1977 als administratief medewerkster bij een lampenfabriek, in 1979 als hondentrimster en van 1983-1984 als kinderverzorgster, is bij besluit van 17 maart 1988 met ingang van 25 januari 1988 als administratief medewerker bij de Sociale Dienst van de gemeente [B.] aangesteld. Zij werd ingedeeld in schaal 2 met een anciënniteit van twee jaar en twee maanden. Per 1 januari 1989 werd zij ingedeeld in schaal 3 met een anciënniteit van drie jaar en 0 maanden. Bij besluit van 18 november 1993 is appellante als uitvloeisel van een functiewaarderingsoperatie alsnog vanaf 1 maart 1988 in schaal 3 en vanaf 1 januari 1989 in schaal 4 ingedeeld, zonder dat haar anciënniteit werd gewijzigd. 1.2. Op 30 september 1996 heeft appellante zich met betrekking tot de per 1 maart 1988 toegekende anciënniteit tot de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) gewend, onder meer stellend dat haar beginsalaris bij de gemeente [B.] lager was dan haar salaris als administratief medewerkster in 1977 in het bedrijfsleven. 1.3. De Commissie heeft in haar oordeel van 3 september 1997 (gepubliceerd in TAR 1997, 220) overwogen dat gedaagde als uitvloeisel van zijn vaste gedragslijn geen rekening had gehouden met appellantes vroegere ervaring omdat gedaagde die niet voldoende recent achtte. De Commissie oordeelde dat door die gedragslijn herintreders, in grote meerderheid vrouwen, worden benadeeld en derhalve indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt. De Commissie zag hiervoor geen objectieve rechtvaardiging en achtte gedaagdes handelen daarom in strijd met artikel 1a, eerste lid, van de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen. Zij overwoog voorts dat de per 1 maart 1988 toegekende anciënniteit in 1997 nog steeds in appellantes bezoldiging doorwerkte en oordeelde dat gedaagde derhalve ook in 1997 nog indirect onderscheid naar geslacht maakte. 1.4. Met verwijzing naar het oordeel van de Commissie heeft appellante gedaagde op 24 september 1997 verzocht het besluit van 18 november 1993 met terugwerkende kracht tot 1 maart 1988 te herzien. 1.5. Bij besluit van 5 december 1997, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 6 januari 1999, heeft gedaagde het verzoek afgewezen. Gedaagde overwoog dat salarisinpassing plaatsvindt op grond van opleiding en ervaring en dat bij eerste aanstelling in beginsel geen anciënniteit wordt toegekend, zij het dat er een zekere onderhandelingsmarge bestaat. Gedaagde stelde dat appellantes ervaring bij de inpassing per 1 maart 1988 wel was meegewogen en dat dit niet op dermate onredelijke wijze was geschied dat er aanleiding was van die rechtens onaantastbare inpassing terug te komen. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit laatste oordeel onderschreven en appellantes beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, overwegend dat appellante (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.