99/3403 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Minister van Justitie, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 9 juni 1999, nr. AW 97/7143/27, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. In antwoord op een verzoek van de Raad zijn namens appellant bij brieven van 26 juli 2001 en 21 augustus 2001 nadere inlichtingen verstrekt. Het geding is behandeld ter zitting van 27 september 2001, waar appellant is vertegenwoordigd door H.A. Schoon, ambtenaar bij het Ministerie van Justitie, en waar gedaagde niet is verschenen. II. MOTIVERING 1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met vermelding van de volgende, als vaststaand aangenomen, gegevens. 1.1. Bij besluit van 4 oktober 1990 heeft appellant met toepassing van artikel 81, eerste lid, onder 1, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) aan gedaagde de disciplinaire straf opgelegd van ontslag per 15 oktober 1990. Dit besluit is door de rechtbank te Utrecht bij uitspraak van 12 november 1992 nietig verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij de Raad hoger beroep ingesteld, welk hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard bij beschikking van 's Raads voorzitter van 14 juni 1993, nr. AW 1992/1537. 1.2. Bij brieven van 3 mei 1994 en 2 oktober 1995 heeft (de raadsman van) gedaagde bij appellant aangedrongen op een reactie naar aanleiding van de nietigverklaring van het ontslag. 1.3. Bij brief van 10 november 1995 heeft appellant gedaagde medegedeeld dat - en om welke redenen - hij geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van 12 november 1992 en dat hij voornemens was op die beslissing niet terug te komen. Daarmee doelde appellant op de hem ten tijde van die uitspraak ingevolge artikel 104 van de toenmalige Ambtenarenwet 1929 toekomende bevoegdheid om aan een veroordeling door de ambtenarenrechter, in zover zij niet op geld luidt, niet of niet volledig gevolg te geven. Voor die situatie voorzag artikel 104 in een bevoegdheid voor de ambtenaar om binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de uitspraak deswege een beroep in te dienen bij het gerecht dat de zaak heeft behandeld, bij gegrondverklaring van welk beroep het gerecht het betrokken lichaam tot schadevergoeding veroordeelt. 1.4. Bij brief van 7 juni 1996 heeft appellant gedaagde medegedeeld, overeenkomstig het in de brief van 10 november 1995 kenbaar gemaakte voornemen, te hebben besloten tot afwijzing van het verzoek van gedaagde om terug te komen op zijn eerdere beslissing om geen gevolg te geven aan de rechterlijke uitspraak van 12 november 1992. Bij het bestreden besluit van 28 april 1997 heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 7 juni 1996 ongegrond verklaard. 1.5. Bij de thans aangevallen uitspraak van 9 juni 1999 heeft de rechtbank te Amsterdam het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat appellant gedaagdes brief van 2 oktober 1995 terecht heeft opgevat als een verzoek terug te komen van de weigering gedaagde weer te werk te stellen ingevolge de uitspraak van 12 november 1992. De afwijzing van dit verzoek kan volgens de rechtbank de rechterlijke toetsing doorstaan. Hieraan heeft de rechtbank "ten overvloede en ter voorlichting van partijen" toegevoegd, dat appellants weigering gevolg te geven aan de uitspraak van 12 november 1992 geen verandering brengt in het feit dat het aan gedaagde verleende ontslag bij die uitspraak nietig is verklaard. Nu die uitspraak rechtens onaantastbaar is geworden, is het dienstverband van gedaagde juridisch in stand gebleven, ook al vloeit daaruit vooralsnog geen tewerkstelling voort. Het staat gedaagde uiteraard vrij zich alsnog tot appellant te wenden met het verzoek hem in een functie te werk te stellen, aldus de rechtbank. 1.6. Appellant heeft zijn hoger beroep uitdrukkelijk beperkt tot deze door de rechtbank "ten overvloede en ter voorlichting van partijen" gegeven overwegingen. Hij stelt zich op het standpunt dat, gegeven zijn beslissing om aan de rechterlijke uitspraak van 12 november 1992 geen gevolg te geven, het dienstverband van gedaagde wel degelijk - ook juridisch - is geëindigd. 1.7. Gedaagde heeft betoogd dat de rechtbank met juistheid heeft aangenomen dat zijn dienstverband met appellant is blijven voortbestaan. 2. De Raad zal eerst ingaan op de ontvankelijkheid van het hoger beroep. 2.1. In het algemeen staat voor het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen geen hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank die - zoals de onderhavige - uitsluitend strekt tot ongegrondverklaring van het beroep. Het bestuursorgaan heeft geen processueel belang bij vernietiging van zo'n uitspraak, waarbij zijn besluit volledig in stand is gelaten en waarin ook overigens geen voor hem nadelige beslissingen zijn gegeven. Dat het bestuursorgaan zich niet kan verenigen met een of meer rechtsoverwegingen waarop de uitspraak steunt of die daarin ten overvloede zijn opgenomen, is op zichzelf onvoldoende grond om een hoger beroep toch ontvankelijk te achten. Het bestuursorgaan behoeft immers na een ongegrondverklaring niet opnieuw in de zaak te voorzien en voor andere door het bestuursorgaan te nemen besluiten hebben de overwegingen van de rechtbank geen rechtstreeks bindende werking. 2.2. In het thans aan de orde zijnde geval doet zich evenwel in zoverre een bijzondere situatie voor dat het primaire besluit van 7 juni 1996 er volgens zijn bewoordingen toe strekt niet terug te komen van de eerdere beslissing om geen uitvoering te geven aan de rechterlijke beslissing van 12 november 1992. Daargelaten of van zo'n eerdere beslissing sprake is geweest, kan uit deze formulering niet worden afgeleid of appellant zich op het standpunt stelde (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.