01/916 NABW-VV 00/1046 NABW U I T S P R A A K van DE PRESIDENT VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8: 86 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen: [Naam verzoekster] , wonende te [woonplaats], verzoekster, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde. I. INLEIDING Gedaagde heeft op de in het aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 25 januari 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens verzoekster heeft mr. M.M.A. van Hooff, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden. De Raad heeft een tweetal namens verzoekster ingediende verzoeken om versnelde behandeling afgewezen. Bij brief van 1 februari 2001 heeft mr. Van Hooff voornoemd namens verzoekster verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het verzoek is behandeld ter zitting op 20 maart 2001, waar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hooff, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. II. MOTIVERING Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de president van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de president van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de president van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. De president is van oordeel dat na de behandeling van het verzoek ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen. Voor een uitvoeriger weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de president naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. Bij besluit van 19 december 1997 heeft gedaagde een aanvraag van verzoekster van 1 december 1997 om bijzondere bijstand in de kosten van het plaatsen van een door haar tandarts J.N. Jesse geadviseerde twaalfdelige brug aan haar kaak afgewezen. Gedaagde heeft het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard bij besluit van 4 augustus 1998 op grond van het bepaalde in artikel 17 van de Algemene bijstandswet (Abw), zoals deze bepaling sedert 1 juli 1997 luidt. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 4 augustus 1998 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd, gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen en beslissingen gegeven inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en genomen, omdat gedaagde zelf een onderzoek had moeten (doen) instellen naar de noodzakelijkheid van de door verzoekster gevraagde voorziening. Gedaagde heeft dit oordeel in hoger beroep gemotiveerd bestreden. De president stelt eerst met partijen vast dat voor de in geding zijnde kosten van belang is het bepaalde in artikel 17 van de Abw, zoals dat artikel luidt sedert 1 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.