99/3972 AAW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 31 maart 1998 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat zijn uitkering krachtens de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) over het jaar 1996 wordt uitbetaald als ware appellant ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35 %. Bij besluit van 1 april 1998 heeft gedaagde de uitkering krachtens de AAW van appellant met ingang van 1 januari 1997 beëindigd omdat appellant in staat werd geacht zijn inkomsten duurzaam te verwerven. Bij besluit van 24 augustus 1998 heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 31 maart 1998 en 1 april 1998 ongegrond verklaard. De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 1 juli 1999 het beroep tegen het besluit van 24 augustus 1998 ongegrond verklaard. Naar die uitspraak wordt hier verwezen. Namens appellant is mr. P.J. van 't Hoff, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 augustus 2001, waar namens appellant is verschenen mr. P.J. van 't Hoff, en waar gedaagde, met voorafgaand bericht, niet is verschenen. II. MOTIVERING Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant is werkzaam als zelfstandig brood- en banketbakker en heeft een winkel waar naast brood en banket op zelfbedieningsbasis levensmiddelen worden verkocht. Daarnaast bezorgt appellant brood bij klanten thuis. De winkel wordt in hoofdzaak geëxploiteerd door de echtgenote van appellant. Op 1 mei 1992 is appellant wegens beenklachten gedeeltelijk ongeschikt geworden voor zijn werkzaamheden als brood- en banketbakker, in verband waarmee hem op basis van een taken/urenvergelijking - waarbij de totale vermindering van de arbeidscapaciteit van appellant als gevolg van de door hem ondervonden beperkingen is geschat op 36% - ingaande 30 april 1993 een uitkering krachtens de AAW is toegekend, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het maatman-loon van appellant bij einde wachttijd is vastgesteld op f 34.863,-, exclusief AA-premies. Naar blijkt uit de rapportage algemeen van de arbeidsdeskundige A. Dullaart van 28 april 1997 heeft appellant over de jaren 1994 en 1995 een inkomen verworven van respectievelijk f 38.147,- en f 28.646,-, exclusief AA-premies. Met toepassing van artikel 33, eerste lid, van de AAW is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant over de jaren 1994 en 1995 vastgesteld op minder dan 25% en is de uitkering krachtens de AAW van appellant over die jaren niet tot uitbetaling gekomen. Het door appellant tegen het desbetreffende besluit van gedaagde van 25 november 1997 ingestelde beroep is door de Arrondissementsrechtbank te Breda bij uitspraak van 12 juni 1998 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld. Naar blijkt uit diens rapportage algemeen van 6 maart 1998 heeft de arbeidsdeskundige W.F. Jansen na dossierstudie en na overleg met de claimbeoordelaar op basis van de van appellant ontvangen jaarstukken geconcludeerd dat appellant over 1996 een inkomen heeft ontvangen van f 27.489,-, exclusief AA-premies, en vervolgens de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant over 1996 berekend op 25 tot 35%. Bij het in rubriek I vermelde besluit van 31 maart 1998 heeft verweerder beslist de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant in het jaar 1996 uit te betalen naar laatstgenoemd percentage. Voorts heeft de arbeidsdeskundige Jansen geconstateerd dat artikel 33 van de AAW ten aanzien van appellant inmiddels gedurende 3 jaar was toegepast en daarop de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 januari 1997, uitgaande van het gemiddelde van de verdiensten van appellant over de jaren 1994, 1995 en 1996, berekend op minder dan 25%. Vervolgens heeft gedaagde bij het in rubriek I vermelde besluit van 1 april 1998 de uitkering krachtens de AAW van appellant met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997 ingetrokken. Bij het thans bestreden besluit op bezwaar van 24 augustus 1998 heeft gedaagde zijn standpunten zoals die zijn neergelegd in de besluiten van 31 maart 1998 en 1 april 1998 gehandhaafd. De rechtbank heeft het namens appellant tegen het besluit van 24 augustus 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard en daarbij - kort samengevat - overwogen dat gedaagde ten aanzien van appellant over het jaar 1996 geen onjuiste toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 33, eerste lid, van de AAW, en dat gedaagde op juiste gronden onder toepassing van artikel 33, tweede lid, van de AAW de uitkering krachtens de AAW van appellant ingaande 1 januari 1997 heeft ingetrokken. Namens appellant is in beroep aangevoerd dat het Besluit beëindiging anticumulatie na drie jaar bij wisselende verdiensten (hierna: het Besluit) wegens strijd met de wet onverbindend moet worden verklaard. Appellant meent dat artikel 33, zesde lid, van de AAW niet gedaagde maar de Minister de bevoegdheid geeft nadere regels te stellen, en voorts dat - in strijd met de wet - de schattingsmethode zoals in het Besluit voorgeschreven ertoe leidt dat de Wet Terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) via een omweg van toepassing wordt op oudere uitkeringsgerechtigden. Daarbij dient, aldus appellant, in aanmerking te worden genomen dat op grond van het bepaalde in artikel XVI van de Wet TBA voor appellant de tekst van artikel 5, vijfde lid, van de AAW geldt zoals dat artikel luidde tot 1 augustus 1993, zodat de op artikel 5 van de AAW gebaseerde schatting van appellant's mate van arbeidsongeschiktheid moet plaatsvinden op basis van het tot die datum geldende criterium, dat inhield dat bij doorwerkende zelfstandigen de schatting werd gebaseerd op een zogenoemde taak/uren-vergelijking. Voorts heeft appellant verzocht om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb in de vorm van wettelijke rente alsmede vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de intrekking van appellants uitkering krachtens de AAW per 1 januari 1997 niet het Besluit ten grondslag ligt, nu dit Besluit pas per 1 juli 1997 in werking is getreden en voorts verwezen naar zijn, in het kader van de behandeling van het beroep door de rechtbank ingezonden brief van 24 maart 1999 waarin gedaagde heeft uiteengezet dat in het Besluit de tot 1 juli 1997 gehanteerde werkwijze ten aanzien van de beëindiging van anticumulatie na drie jaar bij wisselende verdiensten is vastgelegd. Voorts bestrijdt gedaagde de stelling van appellant dat de herbeoordeling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid niet berust op het arbeidsongeschiktheidscriterium zoals dat gold tot 1 augustus 1993 en stelt gedaagde dat rekening houdend met de taken/urenverge-lijking appellant in staat is gebleken ingaande 1994 meer inkomen te ontvangen uit de eigen onderneming dan overeenkomt met indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. De in artikel 33, tweede lid, van de AAW bepaalde periode van 3 jaar waarover anticumulatie kan worden toegepast is, aldus gedaagde, afgelopen per 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.