E N K E L V O U D I G E K A M E R 98/4464 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Gedaagde heeft bij besluit van 31 januari 1997 de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingaande 30 januari 1995 vastgesteld naar een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 6 mei 1998 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellant is van deze uitspraak op bij beroepschrift uiteengezette gronden, welke nadien zijn aangevuld, in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 2 mei 2001, waar partijen niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Appellant is op 25 november 1970 arbeidsongeschikt geworden als timmerman in verband met hoofdpijnklachten. Hem is ingaande 24 november 1971 een uitkering ingevolge de WAO toegekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% op grond van narcolepsie en ulnaris laesie, welke uitkering ingaande 1 augustus 1973 nader is vastgesteld naar een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Op 30 januari 1995 heeft appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld, waarna de verzekeringsgeneeskundige bij onderzoek de op dat moment bestaande klachten heeft beschreven als schouderklachten, hoofdpijn, rugklachten, klachten aan voeten en enkels, te hoge bloeddruk en doorgesneden zenuw linker arm, en een belastbaarheidspatroon heeft opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft hierop geconcludeerd dat appellant weliswaar toegenomen arbeidsongeschikt was, maar uit een andere oorzaak dan die terzake waarvan hij uitkering ontving. Dit heeft geleid tot een besluit van 21 september 1995, inhoudende dat appellant geen 52 weken onafgebroken toegenomen arbeidsongeschikt was geweest. Nadien heeft de verzekeringsgeneeskundige opnieuw een belastbaarheidspatroon opgesteld, ditmaal uitsluitend op basis van de klachten terzake waarvan appellant uitkering ontving. Hierop heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd tot een arbeidsongeschiktheid van 34,8%, hetgeen heeft geleid tot een besluit van 18 april 1996, inhoudende de vaststelling van de uitkering naar een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% ingaande 30 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.