← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2001:AJ9858

Datum uitspraak: 11-12-2001 Zaaknummer(s): 99/3028 NABW Centrale Raad van Beroep Ontstaan en loop van het geding Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Groningen op 29 april 1999 onder nummer AWB 97/1436 ABW V06 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. B en W van X, gedaagde, heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 30 oktober

  1. Overwegingen ten aanzien van de feiten Aan de aangevallen uitspraak — waarin appellant als eiser is aangeduid, en gedaagde als verweerders — ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden: ‘Eiser heeft op 6 januari 1997 een uitkering aangevraagd op grond van de Abw. Eiser had Nederland op 13 mei 1996 verlaten in verband met een 7 maanden durende reis door het buitenland. Eiser had voor hij vertrok naar het buitenland recht op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), die ingaande 1 februari 1996 in beginsel 1,5 jaar zou duren met aansluitend daarop een vervolguitkering van 2 jaar. Hoewel gedurende een verblijf in het buitenland geen recht bestaat op een WW–uitkering, kan dit recht herleven bij terugkeer binnen 6 maanden. Aangezien eiser langer dan 6 maanden in het buitenland verbleef kon hij bij terugkeer geen aanspraak meer maken op een WW-uitkering. Verweerders hebben bij besluit van 21 maart 1997 eiser met ingang van 17 december 1996 een uitkering ingevolge de Abw toegekend naar de norm voor een alleenstaande vermeerderd met een gemeentelijke toeslag van 10 procent van het wettelijke minimumloon. Verweerders hebben met ingang van dezelfde datum de uitkering op grond van artikel 14 Abw bij wijze van sanctie verlaagd met 90 procent gedurende drie maanden. De sanctie is aanvankelijk aan eiser opgelegd omdat hij voor het indienen van de bijstandsaanvraag onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking en omdat hij een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond door een WW-uitkering van bijna 3,5 jaar te verspelen. Bij beschikking op bezwaarschrift hebben verweerders de motivering van de sanctie gewijzigd, in zoverre dat hem de sanctie is opgelegd omdat hij blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid door verwijtbaar het recht op een voorliggende voorziening te verspelen en omdat hij zich gedurende 7 maanden niet beschikbaar heeft gehouden voor de arbeidsmarkt.’ De rechtbank heeft het tegen het besluit op bezwaar van 12 augustus 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard op grond van de volgende overwegingen: ‘Op dit geschil is artikel 14 Abw van toepassing, zoals deze bepaling luidde tot 1 juli 1997, nu dit geschil betrekking heeft op de aanspraken van eiser op bijstand per 17 december
  2. In artikel 14, eerste lid, Abw wordt bepaald dat, indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, burgemeester en wethouders het recht op en de hoogte van de bijstand daarop af te stemmen. Ingevolge artikel 14, tweede lid, Abw, stellen burgemeester en wethouders de bijstand in elk geval in afwijking van hoofdstuk Ⅳ lager vast indien: a. de belanghebbende in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behoeden van arbeid in dienstbetrekking; Ingevolge artikel 14, derde lid, Abw, worden de omvang en de duur van de maatregel, bedoeld in het eerste en tweede lid, afgestemd op de ernst van het feit, de omstandigheden van belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Ingevolge artikel 14, zesde lid, Abw, kunnen met betrekking tot het eerste tot en met het vijfde lid bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld. Deze nadere regels zijn vervat in het Sanctiebesluit Abw, IOAW en IOAZ (: sanctiebesluit). Volgens de Nota van Toelichting bevat dit besluit met betrekking tot op te leggen sancties een normering van de hoogte van de sanctie en de ernst van het feit ingeval de in dit besluit omschreven omstandigheden zich voordoen. Dit laat onverlet de ruimte die de gemeente heeft (op grond van artikel 14, derde lid Abw) om bij de toe te passen sanctie rekening te houden met de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Eiser heeft meer dan 6 maanden in het buitenland verbleven en daarmee zijn recht op een WW-uitkering verspeeld. Verweerders hebben daaraan terecht de conclusie verbonden dat eiser blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, Abw. Tevens hebben zij op goede gronden geoordeeld dat eiser, door zich gedurende 7 maanden niet beschikbaar te houden voor de arbeidsmarkt, onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen van arbeid in dienstbetrekking (artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a, Abw). Gelet op het bepaalde in artikel 14, eerste lid, Abw, waren verweerders dan ook gehouden de bijstand van eiser op het betoonde besef van verantwoordelijkheid af te stemmen. Verweerders hebben in dit verband in het bijzonder gewicht toegekend aan het feit dat eiser door langer dan 6 maanden weg te blijven zijn aanspraken op WW heeft verspeeld. Het gedrag van eiser achten zij verder verwijtbaar, omdat hij wist, dan wel had kunnen weten, dat hij bij terugkomst in Nederland op bijstand aangewezen zou raken. Verweerders hebben aan persoonlijke omstandigheden laten meewegen dat de bestaanskosten van eiser laag waren omdat hij bij zijn ouders woonde. Ook hebben verweerders vastgesteld dat eiser over een vermogen beschikt van ƒ 2295,
  3. Verweerders gingen er daarom van uit dat eiser niet direct in ernstige financiële problemen zou geraken als gevolg van de sanctie. De rechtbank is van oordeel dat verweerders in het licht van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden eiser de gewraakte sanctie hebben kunnen opleggen. Deze sanctie is in overeenstemming met de ernst van het feit, de individuele omstandigheden van eiser en de mate van verwijtbaarheid van zijn gedraging. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het betoog van eiser dat hij de gemeenschap kosten heeft bespaard, miskent dat de Abw en de WW uit verschillende bronnen worden gefinancierd en dat verweerders in dezen een eigen verantwoordelijkheid hebben.’ Overwegingen ten aanzien van het geschil Hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd geeft de Raad geen aanleiding om de aangevallen uitspraak en de overwegingen waar deze op rust voor onjuist te houden. In aansluiting op de overwegingen van de rechtbank merkt de Raad op dat, bezien vanuit het oogpunt van toepassing van de Abw, de omstandigheid dat appellant bewust de herleving van een hem in beginsel voor de duur van 3½ jaar toegekend recht op uitkering ingevolge de Werkloosheidswet onmogelijk heeft gemaakt en gedurende 7 maanden de inschakeling in de arbeid heeft belemmerd als zeer ernstige en verwijtbare gedragingen moeten worden gekwalificeerd. In dat licht bezien en lettend op de omstandigheden waarin appellant destijds verkeerde, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het bestreden besluit de toetsing aan het in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel niet kan doorstaan. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Beslissing De Centrale Raad van Beroep, bevestigt de aangevallen uitspraak.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.