← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9210

98/3921 AW Q. U I T S P R A A K in het geding tussen: [A.], wonende te [B.], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 16 april 1998, nr. 97/8748 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Van de zijde van gedaagde is een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft gedaagde aan de Raad nadere inlichtingen verstrekt. Het geding is behandeld ter zitting van 4 januari 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. R.J. Wiebosch, advocaat te Haarlem en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door A. van der Kooij en S. Beijer, beiden werkzaam bij de gemeente Haarlem. II. MOTIVERING Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar rubriek 2 van de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende. Appellant is sinds 1966 in dienst van gedaagde als vakleerkracht lichamelijke opvoeding. Laatstelijk was hij werkzaam in een volledig dienstverband en tewerkgesteld op twee openbare basisscholen in Haarlem, te weten voor 21 uur op [X.] en voor 17 uur op de [Y.]. Nadat omtrent appellant klachten waren ingediend is daarnaar nader onderzoek verricht en heeft gedaagde appellant in afwachting van de resultaten van dat onderzoek geschorst. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek heeft gedaagde geconcludeerd dat sprake was van ernstig verstoorde verhoudingen tussen appellant en de leiding van de [Y.], een groot deel van het team en de ouders van de leerlingen van die school. Bij besluit van 29 april 1997, aan appellant medegedeeld bij brief van 12 mei 1997, heeft gedaagde aan appellant met ingang van 1 augustus 1997 ontslag verleend uit zijn 40% deeltijdbetrekking aan de openbare basisschool [Y.] op grond van artikel II-D3, tweede lid onder f, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Rpbo). Als grond voor dit besluit is gehanteerd ernstig en blijvend verstoorde verhoudingen en aan het ontslag is het predikaat eervol onthouden. Tevens is bij dit besluit de schorsing verlengd tot de datum van ontslag. Bij het in dit geding bestreden besluit van 15 oktober 1997 heeft gedaagde, na namens appellant tegen het ontslagbesluit gemaakt bezwaar, dit besluit gehandhaafd. De rechtbank heeft het namens appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht en de in dit geding voorhanden zijnde gegevens overweegt de Raad als volgt. Appellant was laatstelijk op grond van artikel 20a van de Wet op het basisonderwijs in algemene dienst van gedaagde aangesteld (een zogeheten bestuursaanstelling). De strekking van het bij het bestreden besluit gehandhaafde ontslagbesluit was appellants tewerkstelling bij de [Y.] van 17 uren per week te beëindigen en appellant als uitvloeisel daarvan voor 40% uit zijn betrekking te ontslaan. De Raad kan het van de zijde van appellant ingenomen standpunt dat onder meer voornoemd artikel 20a aan ontslag uit een deel van appellants betrekking in de weg zou staan, niet volgen. Weliswaar voorzien de toepasselijke bepalingen, waaronder artikel II-D3, tweede lid, van het Rpbo, niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid het dienstverband gedeeltelijk te beëindigen, maar dit belet niet dat deeltijdontslag bijvoorbeeld als uitvloeisel van het beëindigen van een deeltijdtewerkstelling geoorloofd kan zijn, mits voor die beëindiging en dat ontslag voldoende gronden zijn. Appellant voert vervolgens aan dat het aan hem verleende deeltijdontslag niet mogelijk was omdat hij gezien zijn akte van aanstelling en de daarop betrekking hebbende addenda ten tijde van dat ontslag niet bij de [Y.] tewerkgesteld was. De Raad overweegt dienaangaande dat bij akte van aanstelling van 23 januari 1996 is bepaald dat appellants totale betrekkingsomvang met ingang van 1 augustus 1995 38.00 klokuren/minuten omvatte en dat appellants werkzaamheden voor 4.15 klokuren/minuten aan de openbare basisschool [Z.] de basis en voor 33.45 klokuren/minuten aan [X.] werden uitgevoerd. In deze aanstellingsakte is bij gedaagdes addenda van 18 april 1997 - kort voor het ontslagbesluit - de bepaling opgenomen dat de werkzaamheden met ingang van 1 augustus 1996 voor 17.00 klokuren/minuten aan de [Y.] en voor 21.00 klokuren/minuten aan [X.] werden uitgevoerd. Bij gedaagdes addenda van 29 september 1997 - kort voor het bestreden besluit - is in voormelde aanstellingsakte de bepaling opgenomen dat de werkzaamheden met ingang van 1 augustus 1996 voor 4.19 klokuren/minuten aan de [Z.] de basis en voor 33.41 klokuren/minuten aan [X.] werden uitgevoerd. De Raad stelt vast dat appellant ingevolge de addenda van 29 september 1997 bij het ingaan van zijn ontslag niet bij de [Y.], maar slechts bij de [Z.] de basis en [X.] was tewerkgesteld. Namens gedaagde is hiertegen aangevoerd dat appellant bij zijn ontslag feitelijk voor 17 uur per week bij de [Y.] was tewerkgesteld. De besluiten van 23 januari 1996 en de addenda van 29 september 1997 stemden hiermee niet overeen, omdat ze uitsluitend waren afgestemd op de voor de onderscheidene basisscholen beschikbare formatieruimte en niet de werkelijkheid weergaven. Gedaagde acht een dergelijk gebruik van tewerkstellingsbeslissingen geen probleem, omdat deze besluiten en addenda naar zijn oordeel geen rechtspositionele maar slechts administratieve bekenis hadden. De Raad kan gedaagde hierin niet volgen. De aanstelling in algemene dienst bracht ingevolge de destijds toepasselijke bepalingen mee dat het bevoegd gezag moest beslissen bij welke school en in welke omvang de leraar tewerkgesteld werd. Die tewerkstellingsbeslissing is mede bepalend voor de rechtspositie van betrokkene en derhalve van rechtspositionele aard. In het onderhavige geval is dat op juiste wijze tot uitdrukking gebracht door de tewerkstellingsbeslissingen van 23 januari 1996 in de akte van aanstelling van die datum op te nemen en de latere tewerkstellingsbeslissingen door middel van nadere besluiten - zogeheten addenda - op die akte vast te leggen en aan appellant bekend te maken. Terecht is in al deze stukken steeds de mogelijkheid van bezwaar op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vermeld. Dat de aanduiding van de plaats en omvang van de tewerkstellingen slechts werd bepaald door budgettaire overwegingen is een keuze van gedaagde, die niet aan de rechtspositionele betekenis van de tewerkstellingsbeslissingen kan afdoen. Nu appellant van de mogelijkheid van bezwaar tegen die beslissingen geen gebruik heeft gemaakt, staat rechtens vast dat hij ten tijde van zijn ontslag slechts bij de [Z.] de basis en [X.] was tewerkgesteld. Dat de tewerkstellingsbeslissingen geen realiteitswaarde hadden kan hieraan, gezien de rechtspositionele betekenis van die beslissingen, niet afdoen. Nu appellant niet bij de [Y.] tewerkgesteld was, kon die tewerkstelling niet beëindigd worden. Als gevolg daarvan was er ook geen grond voor het aan appellant verleende ontslag voor 40% uit zijn betrekking in algemene dienst. Reeds daarom kan het bestreden besluit, evenals het daaraan ten grondslag liggende primaire besluit, niet in stand blijven, zodat de overige grieven van appellant geen bespreking meer behoeven. Gelet hierop moet de aangevallen uitspraak en, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, ook het primaire besluit van 29 april 1997 worden vernietigd. De Raad wijst het verzoek van appellant om vergoeding van immateriële schade af, nu niet is gebleken van een tot vergoeding aanleiding gevend geschaad zijn van appellant in zijn eer of goede naam of van een aantasting in zijn persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. In dit verband acht de Raad van belang dat het onderhavige ontslag geen beletsel is geweest voor appellant om zijn werkzaamheden bij [X.] normaal te kunnen blijven verrichten. Tenslotte acht de Raad termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep, ten bedrage van respectievelijk f 1.420,- en f 1.420,- aan kosten van juridische bijstand. Derhalve wordt beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit van 15 oktober 1997 alsnog gegrond en vernietigt dat besluit; Vernietigt het primaire besluit van 29 april 1997; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep ten bedrage van in totaal f 2.840,-, te betalen door de gemeente Haarlem; Bepaalt dat de gemeente Haarlem aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van f 210,- voor het geding in eerste aanleg en f 315,- voor het geding in hoger beroep. Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Dierdorp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2001. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) C. Dierdorp. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.