00/484 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Appellant is op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Dordrecht onder dagtekening 10 december 1999 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft bij schrijven van 29 maart 2000 van verweer gediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 februari 2002, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde, daartoe ambtshalve opgeroepen, zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak is vermeld. Kortheidshalve vermeldt de Raad hier het volgende. Appellant is per 1 oktober 1992 als commercieel directeur in dienst getreden bij [werkgever] Op 28 maart 1994 heeft hij zich ziek gemeld. Appellants werkgever is op 30 maart 1994 in staat van faillissement verklaard in verband waarmee appellant een uitkering ingevolge hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) heeft aangevraagd. Bij op bezwaar genomen besluit van 18 november 1994 heeft gedaagde besloten over de periode van 1 maart 1994 tot en met 18 mei 1994 de betalingen van de werkgever over te nemen. Daaraan is wat betreft de periode vanaf 28 maart 1994 ten grondslag gelegd dat de wettelijke opzegtermijn in het geval van appellant ingevolge artikel 40 van de Fallissementswet liep tot en met 18 mei 1994 en dat op de werkgever ingevolge de Wet Terugdringing Ziekteverzuim (WTZ) de verplichting rustte om gedurende de eerste 6 weken van ziekte van de werknemer het volle loon door te betalen. Met betrekking tot de laatste week voor 19 mei 1994 heeft gedaagde, eveneens op grond van artikel 61 en volgende van de WW, de aanvulling op het ziekengeld tot het volle loon voor zijn rekening genomen. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit onherroepelijk is geworden. Naast voormelde betalingen heeft appellant over de gehele periode van 28 maart tot en met 18 mei 1994 van gedaagde ziekengeld ontvangen. Bij besluit van 4 juni 1998 (het bestreden besluit) is het over de periode van 28 maart tot en met 8 mei 1994 te veel betaalde bedrag aan ziekengeld berekend op f 8488,68 bruto. Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant geen recht op ziekengeld had omdat hij een uitkering ingevolge de WW ontving en het hem redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat er onverschuldigd werd betaald. Met inachtneming van een aantal bedragen waarop appellant jegens gedaagde nog aanspraak had, heeft gedaagde het terug te vorderen bedrag gesteld op f 3617,53 netto. De terugvordering is door gedaagde voorts nog beperkt tot f 1656,05 netto, omdat dit bedrag bij besluit in primo van 20 februari 1998 als het terug te betalen bedrag was aangemerkt en appellant door het instellen van bezwaar niet benadeeld mocht worden. Bij het bestreden besluit heeft gedaagde voorts het bezwaar van appellant tegen een tweede besluit van 20 februari 1998 ongegrond verklaard, welk besluit betrekking heeft op de weigering van gedaagde om over de periode dat appellant recht heeft op ziekengeld vakantietoeslag te betalen. De rechtbank heeft het tegen beide onderdelen van het bestreden besluit gerichte beroep ongegrond verklaard. Ten aanzien van het teveel betaalde ziekengeld heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat gedaagde genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat appellant meer ziekengeld heeft ontvangen dan waarop hij recht had, dat gedaagde tijdig aan appellant heeft aangegeven dat tot terugvordering zou worden overgegaan, dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij teveel ontving en dat niet gezegd kan worden dat de wijze waarop gedaagde van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, bij afweging van de betrokken belangen, met de redelijkheid niet in overeenstemming was. Ten aanzien van de weigering van gedaagde om over het ziekengeld vakantietoeslag te betalen heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat gedaagde dit terecht geweigerd heeft, omdat het dagloon van appellant hoger is dan het maximale bedrag dat op grond van artikel 9 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering tot uitbetaling kan komen. In hoger beroep heeft appellant zich tegen beide onderdelen van de aangevallen uitspraak gekeerd. De Raad overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van artikel 40 van de Faillissementswet de voor appellant geldende wettelijke opzegtermijn in totaal zeven weken bedroeg en dat, daarmee rekening houdend, het dienstverband van appellant doorliep tot en met 18 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.