99/5558 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [Gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zutphen op 7 oktober 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft appellant nadere informatie verstrekt. Gedaagde heeft desgevraagd nadere informatie verstrekt en nadere stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 10 april 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door J.L. Gerritsen, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde in persoon is verschenen. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Aan gedaagde is per 11 mei 1992 een WW-uitkering toegekend, berekend naar een verlies van 40 arbeidsuren. Op 1 december 1993 is de WW-uitkering beëindigd in verband met de aanvaarding van tijdelijke werkzaamheden. Per 1 juni 1994 is de WW-uitkering hervat in verband met de beëindiging van die werkzaamheden. Op 13 mei 1996 ontving appellant een brief waarin werd aangegeven dat gedaagde inkomsten had verworven uit de verkoop van een door hem gebouwd huis. Voorts werd aangegeven dat gedaagde een winkel in antiek in [woonplaats] was gestart en dat hij daarmee een omzet van f. 300.000,-- realiseerde. Naar aanleiding van die melding heeft appellant in mei 1996 een onderzoek doen starten waarbij onder meer de genoemde winkel is geobserveerd. Op 1 oktober 1996 en 13 januari 1997 is gedaagde verhoord. Bij besluit van 28 februari 1997 heeft appellant zich vervolgens op het standpunt gesteld dat gedaagdes WW-uitkering over de periode van 11 augustus 1992 tot en met 30 september 1993 geheel is geëindigd in verband met de door hem verrichte bouwactiviteiten aan de eigen woning op het adres [adres] [...] tengevolge waarvan gedaagde het werknemerschap zou hebben verloren. Tevens is de per 1 juni 1994 hervatte WW-uitkering beëindigd per 20 oktober 1994 in verband met het door gedaagde per die datum als zelfstandige verrichten van werkzaamheden in de antiekzaak [de winkel] te [woonplaats]. De in dat verband ten onrechte verstrekte WW-uitkering ten bedrage van f. 154.682,76 wordt van gedaagde teruggevorderd. Bij besluit van 3 februari 1999 heeft appellant de bezwaren van gedaagde tegen de beslissing van 28 februari 1997 ongegrond verklaard. Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 3 februari 1999 ingestelde beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft, kort gezegd, overwogen dat de werkzaamheden die in verband met het bouwen van de eigen woning werden verricht, niet van dien aard waren dat daarmee het werknemerschap werd verloren. De terugvordering over de betreffende periode kan naar het oordeel van de rechtbank derhalve evenmin in stand blijven. Ten aanzien van de werkzaamheden van gedaagde in de antiekzaak [de winkel] heeft de rechtbank vastgesteld dat gedaagde vanaf 20 oktober 1994 in een omvang van 5 uur per week heeft gewerkt en dat gedaagde in een periode van vijf weken, vanaf mei 1996, in verband met de ziekte van diens echtgenote, in de volle omvang in de winkel heeft gewerkt. Ook in dat opzicht komt de terugvordering van de ten onrechte betaalde uitkeringen naar het oordeel van de rechtbank voor vernietiging in aanmerking. Appellant heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de werknemer zijn werknemerschap ook kan verliezen voorzover hij bepaalde niet-betaalde werkzaamheden verricht. Het gaat daarbij om werkzaamheden die kunnen worden aangemerkt als arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht. Naar de mening van appellant vallen onder deze definitie onder meer niet-betaalde werkzaamheden die leiden tot vervanging of verdringing van reguliere betaalde arbeid en niet-betaalde werkzaamheden die weliswaar hun oorsprong vinden in en het karakter hebben van een liefhebberij, maar die niettemin economisch voordeel opleveren aan de betrokken werknemer. Naar de mening van appellant doet zich hier deze situatie voor. Ten aanzien van gedaagdes werkzaamheden als zelfstandige in de antiekzaak stelt appellant dat er in navolging van de rechtbank thans vanuit wordt gegaan dat hij ingaande 20 oktober 1994 gedurende gemiddeld 5 uur per week werkzaam was. Aangezien gedaagde eind mei 1996 de werkzaamheden als zelfstandige in de volle omvang is gaan verrichten, en na die vijf weken niet volledig met die werkzaamheden is gestopt, kan er na die periode geen gedeeltelijke herleving van het recht op WW-uitkering plaatsvinden. Op grond van artikel 8, tweede lid, van de WW kan de werknemer eerst dan zijn werknemerschap herkrijgen, en kan daarmee zijn recht op een WW-uitkering herleven, indien hij zijn werkzaamheden als zelfstandige geheel beëindigt. Daarvan is echter geen sprake aangezien gedaagde gedurende 5 uren per week als zelfstandige werkzaamheden is blijven verrichten. Desgevraagd heeft appellant aangegeven dat op de WW-uitkering over de periode van 20 oktober 1994 tot eind mei 1996 een aftrek van 5 uur per week moet plaatsvinden, en dat de WW-uitkering na die periode geheel onverschuldigd is betaald. Gedaagde bestrijdt de stellingen van appellant. De Raad vat zijn stellingen als volgt samen. Naar zijn mening is de bouw van de woning een activiteit van beperkte omvang geweest, die vooral op twee dagen per week in de avonduren en de weekenden heeft plaatsgevonden. Bovendien stelt hij dat zijn eigen inbreng in die activiteiten beperkt is geweest omdat hij niet de over de benodigde technische of praktische vaardigheden met betrekking tot de bouw van een huis beschikt. Daarnaast stelt gedaagde dat de verklaringen die door hem en anderen in het kader van het opsporingsonderzoek zijn afgelegd, onder grote en ongeoorloofde druk tot stand zijn gekomen, met als gevolg dat deze niet juist zijn, dan wel dat daaraan niet die betekenis kan worden toegekend die appellant daaraan heeft gehecht. De Raad overweegt als volgt. I. Ten aanzien van de bouw van de woning. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder werkzaamheden uit hoofde waarvan een werknemer zijn hoedanigheid als werknemer verliest, verstaan arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht. Dit sluit derhalve niet uit dat arbeid in de privé-sfeer ten behoeve van de bouw van een zelf te bewonen woning kan worden aangemerkt als een werkzaamheid als bedoeld in artikel 16, tweede lid, tweede volzin van de WW. Teneinde te kunnen vaststellen of de werkzaamheden het hobbymatige te boven gaan, moeten alle omstandigheden in ogenschouw worden genomen en zal in een geval als het onderhavige onder meer moeten worden bezien wat de aard, omvang, en duur van de werkzaamheden is geweest. In dat verband stelt de Raad dan onder meer, gelet op de stukken en het ter zitting gestelde, het volgende vast: Gedaagde is de aanvrager van de bouwvergunning. Hij heeft in de aanvraag aangegeven dat hij de aannemer is, en dat onder deskundige leiding zal worden gewerkt. De woning betreft een bungalow, gelegen in een recreatiepark en heeft een afmeting van 7 bij 10 meter. Het gehele pand is onderkelderd. Ten behoeve van de bouw moesten bomen worden gekapt en de grond bouwrijp worden gemaakt. Er is onder meer beton gestort en er is een vloer gelegd. Het gebouw is opgetrokken uit steen. Gedaagde heeft bij die werkzaamheden in ieder geval specie gedraaid, stenen geopperd en timmerwerk verricht. Met de bouw is een aanvang gemaakt in het najaar van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.