00/4214 AOW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Sociale Verzekeringsbank, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 27 mei 1998 heeft appellant het aan gedaagde toegekende ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) over de periode van april 1997 tot en met mei 1998 herberekend en het over dat tijdvak teveel betaalde ouderdomspensioen ad f 576,16 (€ 261,45) van gedaagde teruggevorderd. Bij beslissing op bezwaar van 7 juli 1998, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar tegen het besluit van 27 mei 1998 ongegrond verklaard. De rechtbank Zutphen heeft bij uitspraak van 12 juli 2000 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd met bepaling dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen en het griffierecht aan gedaagde dient te vergoeden. Appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden. Vervolgens heeft appellant bij brief van 13 augustus 2001 een vraag van de Raad beantwoord. Gedaagde heeft gereageerd op laatstgenoemde brief van appellant bij een schrijven dat op 31 augustus 2001 ter griffie is ontvangen. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 mei 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank, en waar gedaagde niet is verschenen. II. MOTIVERING Appellant heeft ingaande 1 februari 1988 een ouderdomspensioen ingevolge de AOW aan gedaagde toegekend ter grootte van 86% van het pensioen voor een gehuwde. Met ingang van 18 mei 1992 is aan gedaagde tevens een ouderdomspensioen toegekend ingevolge de sociale wetgeving van Nieuw-Zeeland. In verband met laatstgenoemd pensioen heeft appellant het AOW-pensioen van gedaagde op grond van de Overeenkomst inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Nieuw-Zeeland (Trb. 1990, 176 en 1991, 97, hierna: de Overeenkomst) met ingang van 1 juni 1992 nader vastgesteld op 63,38% van het pensioen voor een gehuwde. Na het overlijden van de echtgenote van gedaagde heeft appellant het AOW-pensioen ingaande 1 augustus 1993 nader vastgesteld op 65,61% van het pensioen voor een ongehuwde. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 27 mei 1998 heeft appellant het AOW-pensioen van gedaagde over het tijdvak van april 1997 tot en met mei 1998 herberekend en dat pensioen nader vastgesteld ingaande 1 april 1997 op 58,74%, ingaande 1 juli 1997 op 56,82%, ingaande 1 oktober 1997 op 56,70%, ingaande 1 januari 1998 op 61,29% en ingaande 1 april 1998 op 61,53% van het maximale pensioen voor een ongehuwde. Daarbij heeft appellant overwogen dat op grond van artikel 15, vierde lid, van de Overeenkomst in gevallen waarin het totaal van de Nederlandse en Nieuw-Zeelandse pensioenen hoger is dan het maximumbedrag van het Nederlandse AOW-pensioen, het deel van het Nederlandse pensioen dat gebaseerd is op vóór 1 januari 1957 liggende fictieve verzekeringstijdvakken (het zogenaamde overgangsvoordeel), wordt verminderd met het verschil tussen dit totaalbedrag en het maximumbedrag van het Nederlandse AOW-pensioen. Appellant heeft medegedeeld dat ter uitvoering van dit artikel jaarlijks een herberekening van het pensioen plaatsvindt. Bij de omrekening van het Nieuw-Zeelands pensioen naar Nederlandse guldens wordt gebruik gemaakt van fictieve kwartaalkoersen. Het op grond van de herberekening over het tijdvak vanaf april 1997 tot en met mei 1998 teveel betaalde pensioen ad f 576,16 (€ 261,45) heeft appellant van gedaagde teruggevorderd. De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen (waarbij appellant als verweerder en gedaagde als eiser is aangeduid): "dat verweerder door eisers Nieuw-Zeelandse pensioen (achteraf) periodiek te herberekenen aan de hand van de door de Nederlandse Bank NV geadviseerde fictieve kwartaalwisselkoersen niet is gebleven binnen de grenzen van de hem, gelet op de hiervoor genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep toekomende beleidsvrijheid, nu daardoor niet het in artikel 15, vierde lid, van de Overeenkomst neergelegde resultaat is gewaarborgd, te weten dat de som van het AOW-pensioen en het (met inachtneming van die fictieve koers per kwartaal naar Nederlandse guldens omgerekende) Nieuw-Zeelandse pensioen nooit lager wordt dan het maximum pensioenbedrag ingevolge de AOW. Daarbij heeft de rechtbank mede laten wegen dat er geen enkel aanknopingspunt is om te oordelen dat met de term "surplus" in artikel 15, vierde lid, van de Overeenkomst iets anders is bedoeld dan het bedrag waarmee de hiervoor bedoelde som het maximum pensioenbedrag feitelijk te boven gaat. Daaraan doet niet af dat de fictieve kwartaalkoersen, naar in de kennisgeving van het bestreden besluit is gesteld, mede zijn afgeleid van de verschillende dagkoersen (en derhalve ook van de girale koers die bij de storting van het pensioen is gehanteerd).". Appellant heeft het hoger beroep met name toegespitst op de omvang van de door de Raad in zijn uitspraak van 28 februari 1996 (gepubliceerd in RSV 1997/8) genoemde beleidsvrijheid bij de toepassing van artikel 15, vierde lid, van de Overeenkomst. Appellant is van oordeel dat pensioengerechtigden aan dit artikellid niet de garantie kunnen ontlenen dat de effecten van valutaschommelingen op hun pensioenuitkering tot op de cent nauwkeurig door appellant in het berekende AOW-bedrag verdisconteerd moeten worden. Met de keuze voor de fictieve kwartaalkoers wordt volgens appellant voldoende recht gedaan aan het met voornoemd artikellid beoogde resultaat. Deze keuze sluit volgens appellant ook aan bij het algemene beleid dat wordt gevoerd ten aanzien van te hanteren koersen, in het geval inkomen of een uitkering uit een niet EU/EER-lidstaat herleid moet worden naar Nederlandse guldens. De fictieve kwartaalkoers wordt vastgesteld aan de hand van het gemiddelde van alle dagkoersen van de eerste maand van het voorafgaande kalenderkwartaal, zoals deze bancair zijn vastgesteld. Verder heeft appellant nog aangevoerd dat artikel 15, vierde lid, van de Overeenkomst administratief onuitvoerbaar wordt wanneer moet worden uitgegaan van het bedrag dat de betrokkene in Nederlandse guldens heeft ontvangen van het Nieuw-Zeelandse uitvoeringsorgaan, omdat een tijdige betaling van het pensioen dan niet meer gegarandeerd kan worden en er meer herberekeningen gemaakt moeten worden. De Raad overweegt het volgende. In deze procedure is tussen partijen alleen in geschil of de wijze waarop appellant bij het bestreden besluit, gelet op de koersfluctuaties van de Nieuw-Zeelandse dollar, toepassing heeft gegeven aan artikel 15, vierde lid, van de Overeenkomst in rechte stand kan houden. Deze bepaling luidt aldus: "Wanneer de som van het bedrag van de Nederlandse ouderdomsuitkering overeenkomstig deze Overeenkomst of overeenkomstig de Nederlandse Algemene Ouderdomswet en het bedrag van het Nieuw-Zeelandse gewaarborgde ouderdomspensioen of veteranenpensioen krachtens deze Overeenkomst of de Nieuw-Zeelandse wetgeving voor een persoon die in Nederland woont, hoger is dan het maximumbedrag overeenkomstig de Nederlandse Algemene Ouderdomswet, past het Nederlandse orgaan zijn uitkering aan met een bedrag dat gelijk is aan het surplus." Voorts is in het vijfde lid van dit artikel bepaald dat de vermindering van het pensioen geen betrekking heeft op het bedrag dat is gebaseerd op de verzekeringstijdvakken vanaf 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.