00/2930 AAW/WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [Appellante], wonende te [woonplaats], Spanje, appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 6 augustus 1998 heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 februari 1999 ingetrokken, onder overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was. Namens appellante is bij brief van 14 september 1998 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij beroepschrift van 4 maart 1999 heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam als gemachtigde van appellante bij de rechtbank Amsterdam beroep ingesteld tegen de fictieve weigering om tijdig een beslissing op het bezwaarschrift te nemen. Bij besluit van 26 maart 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het hiervoor vermelde bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 6 augustus 1998 gewijzigd in die zin dat appellantes uitkering ingevolge de WAO met ingang van 1 februari 1999 wordt herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 6 april 2000, verzonden op 20 april 2000, het beroep tegen het besluit met betrekking tot de fictieve weigering niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Namens appellante is mr. De Roy van Zuydewijn bij beroepschrift van 26 mei 2000 van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Er is een aanvullend beroepschrift ingediend. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 november 2001, waar voor appellante is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn en waar namens gedaagde is verschenen mr. J.B. van der Horst, destijds werkzaam bij Gak Nederland B.V. Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 12 december 2001 aan gedaagde vragen gesteld. Bij brief van 26 februari 2002 heeft gedaagde die vragen beantwoord en stukken overgelegd. Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 21 mei 2002 waar voor appellante wederom is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn en waar namens gedaagde wederom is verschenen mr. Van der Horst, thans werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING In hoger beroep is namens appellante als bezwaar tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geweigerd gedaagde in de proceskosten van appellante te veroordelen, daar het bestreden besluit pas hangende de procedure bij de rechtbank tegen de fictieve weigering om een beslissing op bezwaar te nemen door gedaagde is genomen. De omstandigheid dat appellante als gevolg daarvan geen belang meer had bij een uitspraak van de rechtbank met betrekking tot het ingestelde beroep tegen de fictieve weigering, neemt naar het oordeel van appellante niet weg dat de rechtbank een proceskostenveroordeling had behoren uit te spreken. Voorts is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om gedaagde te gelasten het griffierecht aan appellante te vergoeden. Namens appellante is gevraagd alsnog gedaagde in de proceskosten van appellante te veroordelen, gedaagde te gelasten het griffierecht te vergoeden en de aangevallen uitspraak in zoverre te vernietigen. De Raad stelt vast dat deze grief terecht namens appellante is voorgedragen. Appellante heeft immers beroep moeten instellen om te bewerkstelligen dat het bestreden besluit werd genomen. In een dergelijk geval ligt het in de rede dat de rechtbank gebruik maakt van de in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde bevoegdheid wanneer zij constateert dat het procesbelang aan een beroep tegen de fictieve weigering om een beslissing op bezwaar te nemen is komen te ontvallen door het, hangende beroep, afgeven van een beslissing op bezwaar door het bestuursorgaan. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarbij is geweigerd om gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg te veroordelen en, doende wat de rechtbank had behoren te doen, een zodanige proceskostenveroordeling alsnog uitspreken. De Raad stelt vast dat die kosten zijn beperkt gebleven tot de kosten van verleende rechtsbijstand in verband met het indienen van een beroepschrift tegen de fictieve weigering, zijnde 1 punt als bedoeld in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat gedaagde het onrechtmatig uitblijven van het bestreden besluit op generlei wijze heeft betwist en dat betrekkelijk kort na de indiening van dat beroepschrift alsnog het bestreden besluit aan appellante is uitgereikt. Hierin vindt de Raad aanleiding om aan de onderhavige zaak de gewichtsfactor "zeer licht" toe te kennen. Daarom zal de Raad gedaagde veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg tot een bedrag van 0,25 x € 322,- = € 80,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.