99/4329 WUBO U I T S P R A A K in het geding tussen: [A.], wonende te [B.] (Indonesië), eiseres, en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 15 juni 1999, kenmerk 0403008/BZ 1128/99/219 heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met dit besluit niet kan verenigen. Hangende beroep heeft E. de Ruyter-Penningnieuwland te Weesp zich als gemachtigde voor eiseres gesteld. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 maart 2002. Aldaar is eiseres verschenen bij haar gemachtigde E. de Ruyter-Penningnieuwland, voornoemd, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.S.K. van Gammeren, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Eiseres, die is geboren [in] 1936 te [C.] in het voormalig Nederlands-Indië, heeft zich in februari 1997 tot verweerster gewend met het verzoek om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet, om toekenning van een periodieke uitkering en om toekenning van voorzieningen ingevolge de Wet. Eiseres heeft deze aanvraag gebaseerd op lichamelijke en psychische klachten, die naar zij meent, een gevolg zijn van haar oorlogservaringen in het voormalig Nederlands-Indië. Bij besluit van 13 november 1998, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster aangegeven dat weliswaar de internering tijdens de Bersiap-periode in kamp Sukodono wordt aangemerkt als calamiteit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, van de Wet doch de aanvraag is afgewezen onder de - aan terzake uitgebracht medisch advies ontleende - overweging dat ten aanzien van eiseres niet is voldaan aan de ingevolge de Wet geldende eis dat sprake is van lichamelijk of psychisch letsel tengevolge van de ondervonden oorlogsgebeurtenissen leidend tot blijvende invaliditeit in de zin van artikel 2 van de Wet. Volledigheidshalve heeft verweerster opgemerkt dat eiseres niet voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, sub a, van de Wet genoemde territorialiteitseis en aangezien eiseres niet kan worden aangemerkt als burger-oorlogsslachtoffer toetsing aan artikel 3, zesde lid, van de Wet niet aan de orde is. De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt. Blijkens de gedingstukken staat verweerster ten aanzien van de lichamelijke klachten, zijnde diabetes mellitus, oogklachten en verhoogde bloeddruk, op het standpunt dat deze klachten geen verband houden met de oorlogscalamiteiten, maar deze klachten constitutioneel dan wel degeneratief van aard zijn. Deze zienswijze is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, die de beschikking hebben gehad over informatie van zowel de behandelend internist als de behandelend orthopaed van eiseres. De Raad acht het bestreden besluit voor wat betreft de lichamelijke klachten op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In hetgeen van de zijde van eiseres in beroep naar voren is gebracht, hierop neerkomend dat eiseres vanaf haar kindsjaren
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.