E N K E L V O U D I G E K A M E R 00/2779 WAO en 01/5622 WAO U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Geding 00/2779 WAO Bij besluit van 28 december 1998 (bestreden besluit 1) heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 juli 1998 waarbij gedaagde de uitkering van appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van 31 augustus 1998 heeft herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 5 april 2000 het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij aanvullend beroepschrift van 4 augustus 2000 (met bijlage) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 25 oktober 2000, ingediend. Bij brief van 25 september 2001 (met bijlage) heeft appellant de beroepsgronden aange-vuld. Het geding betreffende bestreden besluit 1 is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 oktober 2001, waar appellant is verschenen bij mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door E. van Onzen, werkzaam bij de toenmalige GUO Uitvoeringsinstelling B.V. de Raad heeft in overleg met partijen het onderzoek ter zitting geschorst. Bij brief van 18 januari 2002 (met bijlage) heeft gedaagde desgevraagd nog informatie verstrekt. Bij brief van 18 april 2002 (met bijlage) heeft appellant op even genoemde brief van gedaagde gereageerd. Geding 01/5622 WAO Bij besluit van 11 september 2000 (bestreden besluit 2) heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 maart 2000 waarbij gedaagde genoemde uitkering van appellant, welke daarvoor sedert 7 april 1999 weer werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met ingang van 22 april 1999 heeft herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 11 september 2001 het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij beroepschrift van 30 oktober 2001 (met bijlage) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 18 januari 2002, (met bijlagen) ingediend. Bij brief van 8 april 2002 (met bijlagen) heeft gedaagde zijn verweer aangevuld. Beide gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 juni 2002, waar appellant, zoals zeer kort voor de zitting bericht, niet is ver-schenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door E. van Onzen, voornoemd, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellant is op 8 juli 1997 wegens rugklachten uitgevallen voor zijn werk als medewerker bij een rozenkwekerij. In verband hiermede is hem met ingang van 7 juli 1998 een uitkering op grond van de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij het bij bestreden besluit 1 gehandhaafde besluit van 21 juli 1998 is deze uitkering ingaande 31 augustus 1998 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsonge-schiktheid van 25 tot 35%. Aangezien appellant, die per 29 april 1998 zijn eigen werk voor halve dagen had hervat, op 1 september 1998 weer volledig voor dit werk was uitgevallen, is zijn uitkering bij besluit van 9 april 1999 met ingang van 1 september 1998 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 12 oktober 1998 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% en ingaande 1 mei 1999 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van 25 februari 2000 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen beide laatste onderdelen van het besluit van 9 april 1999 gegrond verklaard voorzover het de herziening van de uitkering ingaande 1 mei 1999 betrof, dit onder intrekking van het desbetreffende deel van dat besluit, en voor het overige ongegrond verklaard. Inmiddels had gedaagde bij besluit van 21 april 1999 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 7 april 1999 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidson-geschiktheid van 25 tot 35%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 1 maart 2000 ongegrond verklaard. Bij het bij bestreden besluit 2 gehandhaafde besluit van 3 maart 2000 heeft gedaagde de WAO-uitkering van appellant per 22 april 1999 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. De Raad ziet aanleiding allereerst het geschil in de zaak 01/5622 WAO (bestreden besluit 2) aan een beoordeling te onderwerpen. Ten aanzien van geding 01/5622 WAO Op 9 juni 1999 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts A. van Staden. Vervolgens heeft deze arts een belastbaarheidspatroon ten aanzien van appellant opgesteld, gedateerd 9 juni 1999. Blijkens zijn rapport van 10 juni 1999 was deze arts op grond van zijn onderzoek van oordeel dat het (medische) beeld ongewijzigd was ten opzichte van de vorige beoordeling op 19 januari 1999. De arbeidsdeskundige F.R. Beck heeft vervolgens met gebruikmaking van voormeld belastbaarheidspatroon enige functies voor appellant geselecteerd, als genoemd in zijn rapport van 30 augustus 1999, die hem langs de weg van een theoretische schatting tot het inzicht brachten dat appellant per 22 april 1999, zijnde de datum in geding, als 37,9% arbeidsongeschikt was te beschouwen. De bezwaarverzekeringsarts J.H. Logger kon zich blijkens zijn rapport van 23 augustus 2000 niet vinden in het door de verzekeringsarts Van Staden opgestelde belastbaarheidspatroon. Naar zijn mening beoogde deze verzekeringsarts met het in zijn rapport vermelde aan te geven dat het op 29 april 1998 opgestelde belastbaarheidspatroon weer van toepassing was, hetgeen volgens de bezwaarverzekeringsarts inderdaad een juiste conclusie zou zijn. In het belastbaarheidspatroon van 9 juni 1999 zijn evenwel op een groot aantal aspecten lichtere beperkingen aangenomen dan in het belastbaarheids-patroon van 29 april 1998. Dit heeft de bezwaarverzekeringsarts ertoe gebracht de door de arbeidsdeskundige aan appellant voorgehouden functies alsnog te toetsen aan dit laatste belastbaarheidspatroon. Deze toetsing leidde tot de conclusie dat de functies door appellant per de datum in geding konden worden vervuld. De bezwaarverzekeringsarts gaf wel uiting aan enige twijfel op het aspect hand- en vingergebruik. Appellant mist een gedeelte van drie vingertoppen ten gevolge van een in het verleden plaatsgevonden hebbend vuurwerkongeluk. Gelet hierop achtte de bezwaarverzekeringsarts problemen denkbaar waar het gaat om met de linkerhand hanteren of bewerken van kleine voorwerpen die bij voorbeeld door een glad oppervlak of door hun vorm weinig retentie bieden. Op dit punt zag hij een toelichtend rapport van de bezwaararbeidsdeskundige nog als gewenst. Naar hij ten slotte opmerkte, zijn te dezen geen functies geselecteerd met een overwegend zittend karakter zonder voldoende afwisselingsmogelijkheden wat betreft zitten, staan en lopen. De bezwaararbeidsdeskundige R. Pel is vervolgens in zijn rapport van 15 juni 2000 op het aspect hand- en vingergebruik ingegaan. Naar zijn opvatting is het bezwaar van appellant op dit punt evenals op de overige door hem genoemde, door de bezwaararbeids-deskundige eveneens besproken, punten ongegrond. Appellant heeft in hoger beroep, kort weergegeven, het volgende aangevoerd:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.