00/1266 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellante heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 januari 2000, nr. AWB 98/9062 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Appelante heeft nadere stukken in het geding gebracht. Het geding is behandeld ter zitting van 27 juni 2002, waar appellante in persoon is verschenen met bijstand van mr. E.M. van Hilten-Kostense, advocaat te Den Haag. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J. Ekelmans, eveneens advocaat te Den Haag. II. MOTIVERING 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Appellante, geboren [in] 1955, is in 1975 in dienst getreden [naam werkgever] te [vestigingsplaats] en is sindsdien werkzaam geweest als analiste in het laboratorium van de afdeling Hematologie. In die functie heeft appellante gewerkt met de stoffen methanol, azijnzuur, alcoholether en een methanol bevattende kleurstof. Voorts heeft appellante in de periode dat zij daar werkzaam was, steeds ernstiger wordende oogklachten gekregen, bestaande uit een aantasting van de oogzenuw, die sterk verminderd gezichtsvermogen tot gevolg heeft. Op 16 november 1995 is appellante wegens ziekte verhinderd geraakt haar betrekking te vervullen. Per 1 juni 1998 is haar ontslag wegens arbeidsongeschiktheid verleend. 1.2. Bij besluit van 26 januari 1998 heeft gedaagde het verzoek van appellante haar met toepassing van artikel 7:1, tweede lid, aanhef en onder a, van het Ambtenarenreglement 's-Gravenhage (ARG) tot aan het einde van haar dienstverband - ook na afloop van de periode van 18 maanden bedoeld in het eerste lid van dat artikel - in het genot te laten van haar volle bezoldiging afgewezen. Bij besluit van 23 februari 1998 heeft gedaagde eveneens afgewezen het verzoek van appellante om vergoeding van de schade die zij ondervindt als gevolg van haar oogaandoening. De door appellante tegen deze beslissingen gemaakte bezwaren zijn bij het thans bestreden besluit van 20 oktober 1998 ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten. 2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht en de overigens in dit geding voorhanden zijnde gegevens overweegt de Raad het volgende. 2.1. Partijen verschillen er niet over van mening dat appellante bij haar werkzaamheden is blootgesteld aan de onder 1.1. genoemde stoffen. Appellante schrijft haar oogziekte toe aan blootstelling aan (met name) methanol omdat deze stof, zoals tussen partijen niet in geschil is, kan leiden - en in de opvatting van appellante bij haar ook heeft geleid - tot beschadiging van de oogzenuw wat verminderd gezichtvermogen en uiteindelijk blindheid tot gevolg kan hebben. 2.2. Gedaagde bestrijdt dat er causaal verband bestaat tussen de blootstelling aan methanol en de oogziekte van appellante omdat die blootstelling niet in een zodanige omvang heeft plaatsgevonden dat appellantes oogziekte daarvan het gevolg is. Verder heeft gedaagde erop gewezen dat appellante het niet veel voorkomende gen HLA A29 in zich heeft, dat (nagenoeg) alle lijders aan de oogziekte Birdshot chorioretinopathie in zich hebben, welke ziekte bij appellante is gediagnostiseerd. 2.3. De Raad overweegt dat het bij het bestreden besluit in stand gelaten besluit van 23 februari 1998 waarbij gedaagde geweigerd heeft schade te vergoeden een zuiver schadebesluit is dat betrekking heeft op schade die appellante stelt te hebben geleden als gevolg van blootstelling aan (met name) methanol. Aangezien appellantes stellingen het meest verstrekkend zijn met betrekking tot dit besluit, zal de Raad dat als eerste beoordelen. 2.3.1. Indien sprake is van een zuiver schadebesluit betreffende schade die door de ambtenaar beweerdelijk in de uitoefening van zijn dienstbetrekking is geleden, hanteert de Raad, zoals is overwogen in zijn uitspraak van 22 juni 2000 (TAR 2000, 112) de norm, die hij ook tot uitdrukking gebracht ziet in het thans in artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalde: voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit op de ambtenaar van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten, alsmede voor het verrichten van de werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar. 2.3.2. In de bewoordingen "in de uitoefening van zijn werkzaamheden" is tot uitdrukking gebracht dat er tussen de uitoefening van de werkzaamheden en de schade causaal verband moet bestaan. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie CRvB 12 maart 1998, TAR 1998, 78) acht de Raad een dergelijk causaal verband (eerst) aanwezig indien er een voldoende mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de werkzaamheden en/of werkomstandigheden van de betrokken ambtenaar de bij die ambtenaar aan het licht getreden ziekte daadwerkelijk hebben veroorzaakt. In het onderhavige geval dient de Raad derhalve te beoordelen of er een voldoende mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de bij appellante manifest geworden oogziekte is veroorzaakt door de werkzaamheden en/of werkomstandigheden bij het ziekenhuis gedurende de tijd dat zij in het laboratorium werkzaam was. 2.3.3. De Raad volgt appellante niet in de door haar met verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad betrokken stelling dat zij kan volstaan met de stelling dat zij is blootgesteld aan methanol, waarna op gedaagde de verplichting rust aan te tonen dat hij de nodige veiligheidsmaatregelen heeft getroffen ter voorkoming van schadelijke gevolgen van deze blootstelling. Met betrekking tot de door appellante in dit verband genoemde arresten van de Hoge Raad merkt de Raad op zich, gegeven de verschillen in stel- en bewijsplicht van partijen in het burgerlijk procesrecht en het bestuursprocesrecht, daaraan niet gebonden te achten. Naar het oordeel van de Raad is het aan appellante om aannemelijk te maken dat zij schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden door feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit blijkt dat sprake is van de voldoende mate van waarschijnlijkheid als onder 2.3.2. bedoeld. 2.3.4. Ter afwering van appellantes stelling omtrent de rol van de blootstelling aan methanol bij het ontstaan van haar oogziekte heeft gedaagde zich beroepen op, naast andere gedingstukken, de resultaten van een door de Arbodienst Rotterdam in juni 1995 op verzoek van het ziekenhuis verricht onderzoek naar de concentratie methanol in de omgevingslucht van het laboratorium waar appellante werkzaam is geweest. 2.3.5. De vraag of het oorzakelijk verband als hiervoor bedoeld is aangetoond beantwoordt de Raad ontkennend, waarbij hij het volgende laat wegen. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.