01/3992 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [Naam appellante], wonende te [naam woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. E.P.S. van Bavel, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Roermond, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Roermond op 19 juni 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 19 juni 2002 waar partijen - zoals tevoren bericht - niet zijn verschenen. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellante als eiseres is aangeduid en gedaagde als verweerder - ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden: "Eiseres is op 1 februari 2000 voor de duur van een jaar in dienst getreden bij Rapid Uitzendbureau. Op 15 maart 2000 heeft deze werkgever haar ontslagen in verband met financiële problemen. Eiseres heeft de nietigheid van dit ontslag ingeroepen. Op 27 maart 2000 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag voor uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ingediend. Op 17 maart 2000 heeft eiseres zich als werkzoekende bij het Arbeidsbureau laten inschrijven. Op 7 april 2000 heeft eiseres bij verweerder geïnformeerd naar haar sollicitatieplicht. Daarbij is haar - zoals achteraf bleek ten onrechte - meegedeeld dat ze niet hoefde te solliciteren tot dat er een uitspraak in de ontslagprocedure zou zijn gedaan. Op 3 mei 2000 is eiseres bezocht door een medewerkster van de afdeling WW, mw. R. van Gendt. Deze heeft gerapporteerd dat zij met eiseres de sollicitatieactiviteiten heeft besproken, waarbij eiseres is meegedeeld dat zij, indien ze een WW-uitkering wil ontvangen, ook sollicitatieactiviteiten moet verrichten en wel 4 per 4 weken. Tevens is in het rapport vermeld dat eiseres had aangegeven dit te begrijpen, maar in een moeilijke situatie te verkeren in verband met haar oude werkgever. Ze zou nu echter wel aan de verplichting voldoen. In het rapport is voorts aangegeven dat mw. Van Gendt eiseres heeft gewezen op de gevolgen van niet voldoende solliciteren en dat eiseres bij Primasta in Asten en Quickforce in Eindhoven had gesolliciteerd. Op het werkbriefje betreffende de periode 24 april 2000 tot 21 mei 2000 heeft eiseres vermeld dat zij in die periode niet heeft gesolliciteerd omdat er in verband met haar dienstverband onduidelijkheid was omtrent het wel of niet moeten solliciteren.". Op 23 mei 2000 heeft gedaagde besloten om op de WW-uitkering van appellante met ingang van 22 mei 2000 gedurende 16 weken een korting van 20% toe te passen. De rechtbank heeft het namens appellante tegen het op bezwaar gegeven besluit van 19 september 2000 (het bestreden besluit) ingestelde beroep ongegrond verklaard onder de overweging dat appellante door in de periode van 3 mei tot 21 mei 2000 geen sollicitatie te verrichten, het bepaalde in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW heeft overtreden. Met de toepassing van de standaardsanctie van 20% gedurende 16 weken kan de rechtbank zich verenigen. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat, nu de kantonrechter de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden per 1 november 2000, het dienstverband met Rapid nog voortduurde en appellante dus beschikbaar moest zijn en derhalve in de onmogelijkheid verkeerde werkzaamheden te verrichten bij een andere werkgever. Tevens is aangevoerd dat gedaagde niet duidelijk is geweest met betrekking tot de sollicitatieverplichting. Pas op 18 mei 2000 was definitief duidelijk dat appellante moest solliciteren. Gedaagde heeft het standpunt ingenomen dat de beschikking van de kantonrechter onverlet laat dat appellante in het kader van de WW de verplichting had te solliciteren. Gedaagde geeft toe dat er voor 3 mei 2000 bepaalde mededelingen zijn gedaan die gedragsbepalend zijn geweest voor het handelen/nalaten voor die datum, echter aan de thans bestreden beslissing is uitsluitend ten grondslag gelegd het in het geheel niet gesolliciteerd hebben vanaf 3 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.