00/250 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Bij brief van 1 mei 1998 heeft appellant gedaagde in kennis gesteld van het besluit waarbij de hem eerder toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, ongewijzigd wordt voortgezet. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 22 februari 1999 ongegrond verklaard. De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 7 december 1999 laatstgenoemd besluit (het bestreden besluit), onder gegrondverklaring van het daartegen gerichte beroep, vernietigd. Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Namens gedaagde heeft mr. E.A. Breetveld, advocaat te 's-Gravenhage, bij schrijven van 11 mei 2000 van verweer gediend. Desverzocht heeft appellant bij brief van 16 april 2002 (met bijlagen) en faxberichten van 8 mei 2002 en 29 augustus 2002 nog enige inlichtingen verstrekt. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 september 2002, waar appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, is verschenen bij zijn gemachtigde mr. I. F. Pardaan, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde, met kennisgeving, niet is verschenen. II. MOTIVERING Gedaagde heeft sinds 1974 gewerkt in verschillende administratieve functies bij diverse verzekeringsmaatschappijen, laatstelijk sinds omstreeks 1990 bij Nationale Nederlanden. In 1991 heeft gedaagde zijn werkzaamheden wegens psychische klachten gestaakt. In verband hiermee zijn hem arbeidsongeschiktheidsuitkeringen toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkeringen zijn per 1 april 1993 ingetrokken. Op 30 juli 1996 heeft gedaagde zijn werkzaamheden in verband met zijn psychische klachten opnieuw gestaakt. Na ommekomst van een wachttijd van 52 weken zijn hem door gedaagde bij besluit van 1 september 1997 met ingang van 26 juli 1997 wederom arbeidsongeschiktheidsuitkeringen toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Onder toepassing van het bepaalde in artikel 36, tweede lid, van de WAO heeft appellant binnen een jaar na aanvang van deze arbeidsongeschiktheidsuitkering bezien of er gronden waren voor herziening of intrekking van deze uitkering. In dat kader is op verzoek van de verzekeringsarts op 15 januari 1998 onderzoek verricht door de psychologen J.W.G.M. van Soest en J.F.L.M. van Kemenade. Op basis van de bevindingen van deze psychologen heeft de verzekeringsarts beperkingen bij gedaagde vastgesteld en aangegeven dat gedaagde in staat moest worden geacht vier uur per dag, twintig uur per week, voor hem geschikte werkzaamheden te verrichten. Bij rapport van 24 april 1998 is de arbeidsdeskundige D.P.J. Brugman, na overleg met de werkgever Nationale Nederlanden, tot de conclusie gekomen dat gedaagde, gelet op de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen, ongeschikt moest worden geacht voor zijn eigen werk. Voorts heeft deze arbeidsdeskundige met behulp van het Functie Informatie Systeem en rekening houdend met de vastgestelde beperkingen functies geduid die algemeen gangbaar zijn en in voldoende mate op de arbeidsmarkt voorkomen. In overleg met de verzekeringsarts heeft de arbeidsdeskundige de conclusie getrokken dat de eisen die gesteld worden aan begeleiding, toezicht, controle, de werkomstandigheden en de aard van de werkzaamheden van gedaagde zo extreem zijn dat werk in het vrije bedrijf niet geboden of gevonden zal kunnen worden. Daarop is gedaagde onveranderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht, welk standpunt in het besluit van 1 mei 1998 is neergelegd. In de bezwaarfase van dit geding heeft gedaagde in het bijzonder aangevoerd dat hij zich weer in staat achtte zijn werk bij Nationale Nederlanden te hervatten en dat zijn behandelend psychiater het van groot belang achtte voor zijn psychiatrisch toestandsbeeld dat hij weer aan het werk ging. Een en ander is voor de bezwaarverzekeringsarts J.W. Jeensma aanleiding geweest nadere inlichtingen omtrent gedaagdes psychische toestand in te winnen. Deze hebben niet tot wijziging van de bij gedaagde vastgestelde beperkingen geleid. De bezwaararbeidsdeskundige A.A. Kuijper heeft opnieuw overleg gevoerd met Nationale Nederlanden over de mogelijkheid dat gedaagde bij deze werkgever zijn werk zou hervatten. Ook dit overleg heeft er niet toe geleid dat gedaagde daartoe geschikt werd geacht. Bij het bestreden besluit heeft appellant het bezwaar van gedaagde ongegrond verklaard. In beroep heeft gedaagde, onder overlegging van een besluit van 8 december 1998 waarbij hem WAO-uitkering is toegekend met ingang van 27 augustus 1996, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, aangevoerd dat appellant ten onrechte bij het bestreden besluit heeft aangenomen dat gedaagde met ingang van 26 juli 1997 een WAO-uitkering is toegekend en dat in het licht hiervan het besluit van 1 mei 1998 ten onrechte is gebaseerd op artikel 36, tweede lid, van de WAO. Voorts heeft gedaagde aangevoerd dat hij niet ongeschikt was om zijn werk bij zijn werkgever te hervatten en dat hij derhalve niet arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO. De rechtbank heeft met betrekking tot de eerste grief, kort samengevat, als haar oordeel gegeven dat appellant bij het bestreden besluit een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 36, tweede lid, van de WAO en dit deswege vernietigd, omdat niet binnen een jaar na aanvang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op 27 augustus 1996 tot herbeoordeling is overgegaan. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd zich slechts ten dele met het oordeel van de rechtbank te kunnen verenigen. Onder verwijzing naar 's Raads uitspraak van 22 oktober 1999 (USZ 1999/349) met betrekking tot het dwingendrechtelijk karakter van het voorschrift, neergelegd in artikel 36, tweede lid, van de WAO, heeft appellant zich op het standpunt gesteld, zoals ter zitting van de Raad toegelicht, dat de rechtbank terecht tot vernietiging van het bestreden besluit is overgegaan, maar ten onrechte niet op het inhoudelijk bezwaar van gedaagde tegen het bestreden besluit is ingegaan en had dienen na te gaan of daarin grond was gelegen om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Ter adstructie hiervan heeft appellant bij aanvullend beroepschrift, waarbij appellant als ondergetekende en gedaagde als Henkes is aangeduid, het volgende gesteld: "Uitgaande van de in eerste instantie vastgestelde ingangsdatum van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van 26 juli 1997 heeft ondergetekende de mate van arbeidsongeschiktheid van de heer Henkes op grond van artikel 36, tweede lid, WAO herbeoordeeld per 24 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.