00/1300 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Roermond op 28 januari 2000 tussen partijen gewezen uitspraak (hierna: de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen. Op 9 mei 2000 heeft mr. G.J. Knotter, advocaat te Woerden, de gronden van het hoger beroep aangevuld. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 25 september 2002, waarbij appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Knotter voornoemd, terwijl gedaagde zich - met bericht - niet heeft doen vertegenwoordigen. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Appellant is op 4 september 1995 in dienst getreden bij loonbedrijf [naam loonbedrijf], aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 1 jaar, per 1 september 1996 op basis van een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Op 22 januari 1997 is appellant door ziekte uitgevallen en ontving hij een ziekengelduitkering. Op 18 maart 1997 is het loonbedrijf voortgezet onder de naam [naam uitzendbureau] Uitzendbureau B.V. (hierna [naam uitzendbureau]). In verband met deze overgang is de werkgever van appellant voor de uitvoering van de sociale verzekeringswetten per 1 april 1997 aangesloten bij Gak Nederland B.V., (hierna het Gak). Voordien was de werkgever aangesloten bij GUO Uitvoeringsinstelling B.V. (hierna het GUO). Op 21 juli 1997 is appellant hersteld verklaard. Op 22 juli 1997 heeft appellant van [naam uitzendbureau] toestemming gekregen om van 24 juli 1997 tot en met 10 september 1997 met onbetaald verlof te gaan. Op 4 augustus 1997 heeft appellant zich vanuit Marokko per telegram ziekgemeld. Omstreeks 12 augustus 1997 is appellant in Nederland teruggekeerd. Rond het begin van september 1997 heeft appellant nog drie dagen voor [naam uitzendbureau] gewerkt, zonder dat hij blijkbaar hersteld werd gemeld, daarna heeft hij geen werkzaamheden voor [naam uitzendbureau] meer verricht. Op 10 november 1997 heeft appellant het spreekuur van een verzekeringsarts van het GUO bezocht. Deze heeft appellant per 12 november 1997 hersteld verklaard. Op 20 november 1997 heeft appellant vervolgens bij het GUO een WW-uitkering aangevraagd, welke hem op 20 januari 1998 ingaande 21 januari 1998 is toegekend. Per 20 januari 1998 is aan appellant geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Op 26 januari 1998 heeft appellant zich wederom ziekgemeld naar aanleiding waarvan gedaagde de WW-uitkering heeft beëindigd. Op 18 maart 1998 heeft GUO alle beslissingen met betrekking tot de WAO- en WW-uitkeringen ingetrokken onder de overweging dat het GUO niet bevoegd was namens gedaagde ten aanzien daarvan te beslissen aangezien de werkgever van appellant was aangesloten bij het Gak. Vervolgens heeft gedaagde, ditmaal door middel van het Gak als bevoegde uitvoeringsinstelling, op 18 mei 1998 appellant per 18 maart 1998 een WW-uitkering ontzegd. Het daartegen ingediende bezwaar heeft gedaagde ongegrond verklaard met dien verstande dat de datum van 18 maart 1998 moet worden gelezen als een kennelijke misslag en dat bedoeld is de uitkering per 21 januari 1998 te ontzeggen. Aan dit thans bestreden besluit heeft gedaagde als uitgangspunt ten grondslag gelegd dat appellant na de overgang van Loonbedrijf [naam loonbedrijf] naar [naam uitzendbureau] bij laatstgenoemde vennootschap in dienst is gekomen en is gebleven, zodat hij aanspraak had kunnen maken op doorbetaling van loon, welke aanspraak hij echter heeft prijsgegeven, waarna werkloosheid is ontstaan. Primair stelt gedaagde dat er sprake is van verwijtbare werkloosheid omdat appellant uit eigen beweging zijn dienstbetrekking heeft beëindigd zonder dat aan de voortzetting daarvan zodanige bezwaren waren verbonden dat die voortzetting redelijkerwijs niet gevergd kon worden en subsidiair dat er sprake is van een benadelingshandeling, daaruit bestaande dat appellant loonaanspraken heeft prijsgegeven. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard en het primair door gedaagde ingenomen standpunt onderschreven, onder meer onder de overweging dat het niet hervatten van de werkzaamheden op 12 november 1997 gelijk is te stellen met uit eigen beweging nemen van ontslag en dat gesteld noch gebleken is dat van appellant in redelijkheid niet verlangd kon worden het dienstverband per 12 november 1997 nog langer voort te zetten. In geding is de vraag of gedaagde terecht heeft geweigerd appellant een WW-uitkering toe te kennen per 21 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.